Kopland…

welbeschouwd1
 
Even een oude discussie opstoken. Vorige week is dichter Rutger Kopland overleden. Hij won nagenoeg alle prijzen die er op literair gebied te winnen zijn. Kreeg eredoctoraten. En weigerde een koninklijke onderscheiding, net als de titel ‘Dichter des Vaderlands’ trouwens. Een grootheid dus. Geboren in Goor. Al jarenlang circuleren er plannen om hem in zijn geboorteplaats te eren. Al is het inmiddels ook herdenken geworden.
Het blijft iets onwerkelijks: één van de belangrijkste iconen uit de literaire wereld die ter wereld is gekomen in Goor. Eerst maar eens de feiten op een rij. Rutger Kopland werd in 1934 geboren als Rudi van den Hoofdakker. Deskundige Theo Hakkert weet met stelligheid te melden dat het gezin Van den Hoofdakker eerst aan de Deldensestraat heeft gewoond en later is verhuisd naar de Wheeme. Bij de gemeente is alleen bekend dat de familie Van den Hoofdakker heeft gewoond aan de Wheeme 4a. Later is dat omgenummerd tot Wheeme 8. Pa had een baan als gasfitter. In de gemeentelijke archieven staat daar zelfs nog bijgeschreven: ‘als ondergeschikte’. Het was een streng christelijk gezin. Later werd de woning aan de Wheeme bewoond door een dominee. In 1942 verhuisde het gezin naar Bussum. De reden is mij nog onduidelijk. Had Pa een andere baan gekregen? Speelde de oorlog een rol? Want vader Van den Hoofdakker was actief in het verzet. Rudi liet Goor dus achter als een jongetje van 6 of 7 jaar.
kopland1
Rudi van den Hoofdakker met zijn vader op de fiets

Het is dus logisch dat Kopland later niet, of amper, sprak over zijn jaren in Goor. De herinneringen waren er niet. Of te vaag. Als Kopland sprak over de oorlog en zijn kinderjaren, is niet te herleiden of het over Goor gaat of over zijn volgende woonplaats.
Het was dus een toevallige speling van het lot dat een kindeke met buitengewone gaven werd geboren in Goor. Kopland zelf werd er niet warm of koud van. Ook in Goor is er altijd met een soort vreemde apathie tegenaan gekeken. Kopland, geboren in Goor. Leuk. Punt. Totdat kunstenaar Sepp Bader enkele jaren geleden opperde om de dichter in zijn geboorteplaats terug te laten keren middels een kunstwerk. Hij wilde een gedicht van Kopland verwerken in het Schoolfeestplein. Het plan zorgde voor beroering, althans de kosten: enkele tienduizenden euro’s. Bader motiveerde zijn project met de volgende woorden: “We zien een parkeerplaats, geen plein, we zien alleen maar steen en blik. Waar is het groen, waar een schaduwrijke plek, waar een plek ter verpozing en reflectie?”
Tsja. Geef Bader eens ongelijk. Elke artiest, klein of groot, die de Reggehof aandoet, verbaast zich over zoveel leegheid in een stadscentrum. De grap over de viskar van Verdriet is inmiddels belegen. Terug naar het onderwerp van deze column. Verdient Kopland een aandenken in Goor? Wis en waarachtig. Maar een kunstwerk van 10-duizenden euro’s gaat ook mij te ver. Daarvoor was er te weinig band tussen Goor en Kopland. Het is Goor en Kopland overkomen. En ja, U mag mij een kruidenier noemen.
Ik wil U trouwens het gedicht niet onthouden dat Bader in het kunstwerk wilde verwerken:
 
Een lege plek om te blijven

Ga nu maar liggen liefste in de tuin,
de lege plekken in het hoge gras, ik heb
altijd gewild dat ik dat was, een lege
plek voor iemand, om te blijven.

Zou toch niet misstaan op een mooie plaquette in de buurt van zijn geboortehuis?
Bert Schabbink

Kukidentgebit en gepolijste nageltjes

Bieb wegbezuinigd. Muziekschool uitgekleed. Zwembad sluit. Het wordt tijd voor maatregelen in het Goorse. En die komen er. Te beginnen met een stadsraad. Om de invloed bij het Hofbestuur te vergroten. Maar als we het initiatief bij mijnheer Jochems en mijnheer Rikkert laten, dan voorspel ik een tijger met kukidentgebit. Een goed gekapte leeuw met gepolijste nageltjes. Daarom wat hulp van mijn kant bij de profielschets voor de toekomstige leden van die raad. Want als de Markeloërs zich al met nepbommen bij het gemeentehuis melden, dan moeten wij ook passende maatregelen nemen.

Hoe willen we onze invloed uitbreiden? Of beter geschreven: wie is onze tegenstander? Dat zijn vooral boeren. En die hebben een lastige eigenschap: ze zijn doortrapt. Nietsontziend ook. Kunnen mijnheer Jochems en mijnheer Rikkert daar tegenop? Ik vrees het ergste. Goor Collectief-voorman Roel Jochems is een heel vriendelijke man, prima uithangbord voor de Goorse ondernemers. Maar als mevrouw Jochems zegt dat Roeltje om zes uur moet eten, dan zit Roeltje om kwart voor zes klaar met een servet op schoot en bestek in de knuistjes. En CDA-politicus Eric Rikkert is ook voorzitter van de tennisclub. U weet wel, de sport die meteen wordt stilgelegd bij een paar drupjes regen. Een tintverschuiving op de buienradar is al voldoende om de kornuiten van Rikkert naar binnen te jagen. Kijk, dan komt Bentelo met deugdelijker materiaal: een knecht die met blote handen giertanks leeg schraapt en maisvelden weghakt. Of de struise meid uit Stokkum die geblinddoekt een koe kalvert en tegelijkertijd een tweeling aan de borsten legt. Ik zeg: game, set en match voor de boeren.
Aan welke criteria moeten onze guerillastrijders dan voldoen? Laten we eens beginnen met een strafblad. Ik snap ook wel dat we geen moordenaars of serieverkrachters in de strijd kunnen gooien. Alhoewel? Dan zouden die keuterboertjes aan de andere kant van de tafel wel anders piepen. Maar goed, we doen het voor lichte vergrijpen. Belastingontduiking. Een ongewenst intimiteitje, dat werk. Er moeten streken inzitten. 2e criteria: minimaal twee keer gescheiden. Want: op de bodem hebben gelegen en weer omhoog zijn geklauterd. 3e criteria: een zogeheten vrij beroep. Het liefst marktkoopman. Of oud ijzer handelaar. Want hun stelregel is: elk dubbeltje is er één en dat verdwijnt in mijn zak. Ook vrouwen met een decolleté als een oneindig ravijn zijn van harte welkom.

Mijn punt zal duidelijk zijn. Doortrapte boeren moeten we bestrijden met slinks- en sluwheid. De spelregels zijn niet heilig. Onze toekomst wel. Ik hoop dat mijnheer Jochems en mijnheer Rikkert dat ook beseffen.

Bert Schabbink

Pokke, pokke, pokke, daar komt The Swing Mill aan….

welbeschouwd1

Een topgitarist die met de dood in de ogen de Tent inrijdt. Een zanger die zijn stem langzaam ziet verdwijnen. Een hevig zoemend aggregaat als stemvork, ritmisch ondersteund door een langzaam puffende ‘Zamboni’. Een internationaal befaamde pianist uit het westen des lands die heel lang niet verder kwam dan “Ik ga het meemaake. Ik ga het meemaake”. Dit is het bizarre verhaal achter ‘The Swing Mill’.

Natuurlijk ontstond het idee aan het schap in het café. Jilling Zorge, vooraanstaand Rellie-techneut, spuwde zijn gal over dweilorkesten in de Tent. “Knettergek wo’k van dat getoeter”. Wij knikten instemmend. Dat moest anders kunnen. En toen viel uit het niets het woord Zamboni. U kent ze wel, de vierkante machines die met schaatsen altijd de baan dweilen. “Dat heb ik”, sprak Jilling. “Ik heb een Zamboni”. De bek viel ons open. Wat moet iemand nou met een Zamboni? Afijn, de glazen werden steeds sneller gevuld (en geleegd). Conclusie: Jilling zou zorgdragen voor een werkende Zamboni en ondergetekende voor een band die daar bovenop zou gaan zitten. En rijdend een zogeheten ‘dweilconcert’ te gaan verzorgen in de Schoolfeesttent. U begrijpt, het was geen 2 uur in de middag  toen we uit elkaar gingen. Met het wegtrekken van de alcoholdampen leek ook het idee in het niets te verdwijnen. Totdat Jilling enkele weken later droog  opmerkte. “Ik heb de Zamboni kloar. Hoe is’t met de band?”. Wist ik veel dat het om een Rellie-zamboni ging…..

Daar zat ik. Enkele maanden voor het Schoolfeest. Hoe kreeg ik in godsnaam een band bij elkaar die op een Zamboni wilde kruipen? Ik besloot direct maar hoog in te zetten. Op mijn 40e verjaardag verzorgde gitarist Raymond Nijenhuis uit Hengelo  een geweldig optreden met aan zijn zijde de pianist Eric-Jan Overbeek, alias mr Boogie Woogie. Het werd een heuglijk feestje dat eindigde met verbrande fietsen, dit terzijde. Ik ken Raymond al een jaar of twintig, hij was ooit geluidstechnicus bij, toen nog, Radio Oost. Toen al een meer dan begenadigd gitarist en dat werd ook zijn leven. Met succes, dit jaar werd hij zelfs als ‘Guitar Ray’ genomineerd voor beste bluesgitarist van Nederland. Met Mr Boogie Woogie toerde hij door heel Europa. Eerst Raymond maar eens gebeld. De ‘Schoolfeest-zaterdag’ was nog vrij in zijn agenda. “Ik hou die dag wel open, we hebben het er nog wel over”. En de pianist reageerde in dezelfde trant. “Ik snap er niet veel van, maar 23 juni hou ik vrij”.  Met mijn broer als zanger annex mondharpspeler en Pascal Haverkate op bas, ging het ineens de goede kant op. Ik had de band rond. Dacht ik. En belde in mijn enthousiasme meteen ook maar de voorzitter van het Schoolfeest. Die sprak de legendarische woorden: “Als jij zegt dat het goed is, dan regel ik geen dweilorkest”. Ik had niet alleen een band, maar ook een optreden met Schoolfeest.
En zo zaten we een paar weken voor het feest der feesten bij elkaar voor een snuffelrepetitie. Akoustisch gitaartje. Beetje prutsen. Gitarist Raymond merkte terloops op: “wie drumt er eigenlijk?”. Toen bleef het stil. Was ook wel handig, een drummer. Nieuwe zoektocht. Die kon niet, die had al een optreden. En zo belandden we bij Mike Jaarsbergen. Inderdaad de zoon van Jan. Jan was ooit drummer in het legendarische Twente Combo, bij Allog en de Toon’n en bij de Big Band van Apollo. Zoon Mike heeft zijn sporen verdiend in het commerciële circuit en toonde zich direct enthousiast.
Het was inmiddels al woensdag 20 juni. Nog drie dagen. Eerste repetitie met drummer. Schoolfeestnummers doorgenomen. Nog altijd zonder pianist, die was alleen geboekt voor de zaterdag. Weer was het Raymond die opmerkte: “heb jij alles wel goed doorgenomen met Eric-Jan? Ik heb zo’n idee dat hij niet weet waar hij in belandt”. Raymond heeft jarenlang samengespeeld met mr Boogie Woogie en kent zijn pappenheimers. En hij raakte een kern van waarheid. Ik had wel gerept over twee optredens op een mobiel podium, maar niet over een aanhanger die voortgetrokken zou worden door een als Zamboni verklede tractor. En zeker niet over een rijdend optreden in een volle feesttent. Voor uw besef: de beste man speelt vooral in theaters en tourt enkele maanden per jaar door de Verenigde Staten. Ik besloot er maar eens een poeslief mailtje aan te wagen. Schreef daarin dat ons podium op de aanhanger mooi was aangekleed. En dat we overwogen om mobiel te spelen. En dat hij zelf mocht beslissen of hij dat ook wilde.  Donderdagochtend: 2 oproepen gemist: van Eric-Jan. De angst sloeg toe bij mij. “Dit gaat helemaal fout. Hij begint er niet aan”, dacht ik. Met lood in de schoenen teruggebeld. “Ja, met Eric-Jan. Heb je mailtje gezien. Ziet er goed uit. Ik heb er zin aan”. Ik wist niet hoe gauw ik op moest hangen.
Zo werd het zaterdag. Met het geluid metershoog vastgesjord op de aanhanger werd de reis ingezet richting het tunneltje dat de Waterstraat verbindt met het Jannink. Pokke, pokke, pokke. Het trillende geluid van Jilling en zijn Zamboni naderde. Het aggregaat werd aangeslingerd. Raymond trok bleekjes weg. “Blijft dat ding aan?” Hij stond met zijn gitaar pal voor het aggregaat, dat nogal luidruchtig was. En van opzij drongen de dampen van de Zamboni-uitlaat ons mobiele podium binnen. Ook bassist Pascal en drummer Mike snoven minder vrolijk de dieseldampen op. De pianist keek het allemaal meewarig aan. “Ik ga het meemaake. Ik ga het meemaake”, klonk het met Nieuw-Vennepse tongval. Van mijn broer nog geen spoor. Die moest eerst nog even wat zingende Albatrosjes de weg ophelpen. Geluidsman Peter Vos had de knopjes in orde. Soundcheck. Onder het tunneltje. De eerste klanken van The Swing Mill. Jilling en ik keken elkaar aan. Dit zou wel eens goed kunnen komen.
En zo speelden we na de kinderoptocht voor het eerst met elkaar voor De Tapperij. Om vervolgens koers te zetten richting Tent. De stem van mijn broer was inmiddels totaal aan gort. Het doodsbange gezicht van Raymond bij het binnenrijden vergeet ik nooit meer. Drempeltje. Ingeklemd tussen een grommend aggregaat en een vervaarlijk wiebelende stapel boxen probeerde hij zich met zijn peperdure gitaar staande te houden. De dampende Zamboni en het dampende aggregaat werden al snel een dampende Tent. Alles kwam goed.

 

Bert Schabbink

Als er ooit nog een deel II komt dan leg ik U uit waarom de complete band een auto moest drukken, waarom mr Boogie Woogie op zondagmorgen werd achtervolgd door de hoteleigenaar van De Herikerberg, waarom de band wel The Swing Mill heet en geen Putlucht, waarom de repetitie werd verstoord door broodjessmerende dames en hoe er opeens een wildvreemde achter de piano opdook tijdens het optreden in de Tent.

Feesboek…

Soms floepen dingen er zomaar uit. Het gebeurde mij tijdens de presentatie van het jaarboek. We zaten bij elkaar in de kantine van de, zoals ik het nog steeds noem, Oudheidkamer. Meteen een tik over de vingers van de heren historici want het is tegenwoordig Goors Historisch Museum. Afijn, we zaten dus bij elkaar.

Nu zijn dat niet mijn favoriete bezigheden: netjes opzitten en pootjes geven. Maar het jaarboek verdient een nette presentatie en dus moest ik er ook aan geloven als scribent van het naslagwerk. De hoofdredacteur van Goorsnieuws (ja, hij bestaat echt) sprak mooi, de voorzitter van het museum sprak mooi en toen was het mijn beurt. De vingers gleden door de bladzijden en toen viel het mij uit de bek als een koe uit het gat. “T’is wel een mooi Keesboek geworden”. De fantasie sloeg meteen op hol bij de aanwezigen. Vooral de delegatie van Maarkelsnieuws was er als de kippen bij na mijn vorige column. Terwijl ik met Keesboek niets anders bedoelde dan een fusie tussen een kijk- en leesboek.
De hoofdpersoon ontbrak in het museum: Wolter Wiegerinck. Met kennisgeving en goede reden. Wolter’s vrouw Gerrie heeft onlangs een zware heupoperatie ondergaan en revalideert thuis. Dus op de fiets naar Wolter om daar het 1ste exemplaar te overhandigen. “Ik bun niet zo’n internetman”, vertelde Wolter toen hij voor de plichtpleging werd benaderd. Dat was ook niet de reden waarom hij werd uitgekozen. Wolter en zijn werk zijn overal in de Goorse samenleving terug te vinden. Zicht- en onzichtbaar. Wolter kleurt Goor: als kunstenaar, maar bovenal als mens. Zichtbaar geëmotioneerd nam hij het jaarboek in ontvangst. Meteen kwam de artistiek vormgever in ‘m boven. “Mooie kaft. Origineel met die letters over elkaar. Zie je niet vaak”.
Gerrie keek toe achter het raam, vanaf het ziekbed. Ik vond het mooi geweest. Tijd voor bier. Naar ’t café. Ik vertelde aan de toog. De kastelein was, zoals altijd, alert. “Keesboek is mooier dan Facebook”.

Bert Schabbink

Ingezonden brief over uitspraak Goudt

Carel Groothengel, schaduwfractielid van de lokale PvdA stuurde een ingezonden brief naar deze site. Hij hekelt daarin enkele uitspraken van burgemeester Goudt in het jaarboek van Goorsnieuws.nl. Hieronder de brief.

JeroenGoudt1

Uitspraak Jeroen Goudt: “Raadsleden, doe wat je moet doen” in het jaarboek 2011

Burgemeester Jeroen Goudt zet vraagtekens bij het functioneren van de gemeenteraad in de Hof van Twente.  “Men neemt te veel hooi op de vork en wil te vaak aan de voorkant van de processen gaan zitten.” Hij doet zijn uitspraken in een interview in het jaarboek van Goorsnieuws.nl. “Ik hoor te vaak de klacht dat raadsleden te druk zijn. Vooral de kleine fracties. Doe wat je moet doen, zou ik zeggen. Ga je niet overal mee bemoeien en heb vertrouwen in het dagelijks bestuur”, besluit de burgervader. Niet erg verstandig van de eerste burger van deze gemeente zeker niet als je bedenkt dat het nog maar kortgeleden is vastgesteld dat de gemeentelijke organisatie niet erg goed functioneerde.

Ik vraag me af of Jeroen Goudt vanuit het Enschedese voldoende opmerkt wat er speelt in het “Hof van Twente”. Na een commissie- of raadsvergadering weet hij niet hoe snel hij weer richting Enschede moet komen. Napraten aan de tap met een watertje of een pilsje is er niet bij. Als hij in de commissievergadering wordt aangesproken op een speeltje van veel burgemeesters, te weten de brandweer, dan flipt hij en komt het hele onderwerp niet meer verder aan de orde. Ik zit vaak bij de commissie- en raadsvergaderingen als schaduwfractielid van de PvdA. Die partij noemt het haast wel in iedere vergadering dat op hoofdlijnen gestuurd moet worden. Maar er moet dan ook wel werkelijk door het dagelijks bestuur op een goede wijze gestuurd en bestuurd worden.

In de laatste raadsvergadering kwam weer eens op een onthutsende manier  aan de orde dat dat nog niet altijd het geval is zoals bijvoorbeeld in dit geval bij de vaststelling van het bestemmingsplan buitengebied Diepenheim, herziening Deldensestraat 11. En ook wethouder Sijbom, die voortdurend fouten maakt maar nooit eens bij zichzelf te rade gaat en altijd van oordeel is dat de raad het verkeerd doet, brengt de door Jeroen Goudt gewenste situatie niet echt dichterbij. Zolang er nog raadsvoorstellen of onvoldoende voorbereid of onvoldoende toegelicht in de raad komen zal de politiek zich op een wijze met de processen bezig houden die Jeroen Goudt niet aanstaat. Er is maar een persoon die aan die ongewenste situatie een eind kan maken en dat is Jeroen Goudt zelf. Dat is misschien verstandiger dan een onwelgevallige journalist niet meer van informatie voorzien. Ook al vind ik de stukjes in dat krantje ook dubieus en leugenachtig.

Carel Groothengel.

Still’n Omgang

Ik wil ook ‘iets’ uit het Schoolfeestfonds. En ik heb daarvoor een sluw plannetje bedacht. Een plannetje zonder verliezers. Een plannetje waar iedereen beter van wordt. En blijer. En aangeschoten. Stropdasmensen die leven van andermans centen noemen dat een ‘win-win-situatie’. Niet verder vertellen, het moet onder ons blijven.

Alleen instellingen of verenigingen komen  in aanmerking voor ‘Schoolfeestsubsidie’. Met een paar kroegvrienden richt ik op:  ‘’Onafhankelijke Stichting Schoolfeest Educatie`. Oftewel:  Osse.  Ons doel is het verbreiden van het Schoolfeestwoord. Want wij zijn van mening dat er nog wat onontgonnen gebied is, als het gaat om een vieren een van een feestje. Achter de Herikerberg bijvoorbeeld. Aardige mensen daar. Vriendelijk. Maar begraven kunnen ze beter dan pret maken.  Zomaar een kleine greep uit de rituelen tijdens een Markelose ‘groove’. De ‘noabers’ dragen vanaf het overlijdensmoment tot aan de begrafenis hetzelfde ondergoed. Naaste familie mag alleen linksom de kist lopen. Zolang de overledene thuis opgebaard ligt, mogen de ‘wakers’ alleen brood en bloedworst eten. Afijn, het complete handboek telt 180 pagina’s. De dood gun je niemand en al helemaal je buurman in Markelo niet. Want dan weet je één ding zeker: de snipperdagen voor de rest van het jaar zijn op. De optocht aldaar heeft niet voor niets de bijnaam: ‘Still’n Omgang’. Alles komt ergens vandaan.

Terug naar het Schoolfeestfonds. Wij maken een mooi voorstelletje om Markelo in te wijden in de beginselen van het feestvieren. Onder het motto: ‘goed begraven is mooi, feestvieren is beter’. Wat is daarvoor nog geschikter dan een jumelage? Een uitwisseling.  Wij nodigen enkele vooraanstaande Markeloërs uit om onder de hoede van enkele ‘insiders’ het Schoolfeest mee te beleven. Daarvoor is natuurlijk een budgetje nodig. Ik zeg 500 euro. Dat moet er toch af kunnen, van die 30.000 euro in het Schoolfeestfonds. Dan melden wij, en onze Markelose gasten, zich eind juni aan het penningenloket en ‘vermunten’ de bijdrage uit het fonds. Het geld vloeit dus linea recta terug in de kas van het Schoolfeest. Links en rechts delen we een pilsje uit zodat ook de argeloze Schoolfeestbezoeker meeprofiteert van onze bezigheden. Want wat zullen die Markeloërs een hoop leren als ze met ons langs het schap schoffelen.  Ervarende educatie, noemen ze dat. En dan is het volgend jaar de beurt aan Diepenheim. Zullen we ze daar eens leren dat er meer is dan kunst met een hoofdletter K. Wat dach-ie van zoep’n met een hoofdletter Z.

Bert Schabbink

Ingezonden brief Stichting Behoud HH

Listige willekeur.

Als je niet voor ons bent, dan ben je tegen ons!

Jarenlang is de Stichting “Behoud Havezathe Heeckeren” (voorheen Comité) aan het vechten om een laatste stukje cultuur in Goor nog te behouden. Immers, alles wat maar een beetje met de historie van dit Hanzestadje te maken heeft, is tegen de vlakte gegooid. Ook voor het voormalige klooster en de kloostertuin aan de Lintelerweg ziet het er beroerd uit. Illegaal handelen, legaliseren, niet aantoonbaar maar wel naar corruptie riekend gedrag lopen als een rode draad door de geschiedenis van dit eens door nonnen bewoonde klooster, voorheen de Havezate Heeckeren.

Een bouwvergunning van de eerste afzichtelijke bijbouw aan het hoofdgebouw (het rusthuis uit 1935) is nooit afgegeven door de gemeente! Evenmin is informatie te vinden over het afbreken van de grote schuur bij het Koetshuis. Aan het eind van de vorige eeuw werden het klooster en de gronden te koop aangeboden door de Sint Rosastichting omdat het niet meer rendabel was vanwege de aanwezigheid van nog maar drie gepensioneerde nonnen. Deze Stichting heeft het klooster en het Koetshuis met bijbehorende grond voor een zeer lage bedrag in eerste instantie te koop aangeboden aan de gemeente Goor, omdat de nonnen het belangrijk vonden dat dit cultureel erfgoed voor het nageslacht behouden zou blijven. De gemeente heeft deze koop helaas geweigerd.

De kopers waren drie bevriende projectleiders (VOF De Driehoek, waaronder een voormalige Goorse verzekeringsjongen) die wel brood zagen in dit historische stukje Goor. We maken er een asielzoekerscentrum van, riepen ze eensgezind. Want, de ‘sociale’ projectleiders hadden al lang uitgerekend dat ze lekker aan de asielzoekers konden verdienen. Ook de gemeente kon op een vergoeding per asielzoeker rekenen van Den Haag. Het oude klooster is toen door voornamelijk Slavisch sprekende bouwvakkers van binnen geheel verbouwd op last van de projectontwikkelaars en daardoor werd er al veel cultureel erfgoed vernield. De prachtige kapel met de glas-in-lood ramen, antieke massieve oude eiken deuren, de eiken lambriezering, ornamenten enz. zijn verdwenen. De Lourdes Grot was ook bijna een zachte dood gestorven, ware het niet dat Zuster Paulette Harink zich hierom bekommerd heeft en nog steeds voor het onderhoud van de grot zorgt. (Zuster Paulette Harink heeft tot het laatste moment in het klooster gewoond en zij woont nog in Goor). Na stevige protesten en de nodige media aandacht is de Lourdesgrot in 2005 opnieuw plechtig ingewijd door pastoor J.A.C. Jansen. De Lourdesgrot is al jaren een bedevaartsoord. Helaas ontbreken de originele beelden nog en van het pad naar de Lourdesgrot zijn de waardevolle antieke waaltjes vervangen door ordinaire troittoirtegels! De Stichting “Behoud Havezathe Heeckeren” heeft er alles aan gedaan om die historische inventaris terug te krijgen. De projectontwikkelaars waren in geen velden of wegen te bekennen en de gemeente (B&W en de Gemeenteraad) stonden er bij en keken er naar.

Nadat de projectleiders hun zakken voldoende hadden gevuld met de asielzoekerconstructie werd het hele terrein inclusief gebouwen voor een symbolisch bedrag verkocht aan de voormalige Goorse verzekeringsjongen, die inmiddels ontdekt had dat er in de zorg veel geld te verdienen was. Jammer genoeg liet de gemeente Goor deze kans om de Havezate te kopen weer voorbij gaan.

De ex-verzekeringsboy behoorde ook tot het gilde van ‘sociale’ projectontwikkelaars, hij was immers ook één van de Driehoekers en hij wist dat er onder de dekmantel van de zorg veel mogelijk was. Dus, ook weer zo’n type van… onder de paraplu van … sociaal zijn…maar vooral sociaal voor jezelf zijn.

De verzekeringsman ging voortvarend te werk en vond een zorginstelling die bereid was verstandelijk gehandicapten huisvesting te bieden. Prima, geef iedereen een menswaardig bestaan! Inmiddels was een bevriende Goorse architect van deze verzekeringsboy uit het toenmalige comité “Behoud Heeckeren”gestapt, omdat de nieuwe ‘sociale’ investeerder hem gevraagd had om meerdere gebouwen te ontwikkelen bij de Havezate, waarvan één gebouw tegen het historische Koetshuis aan.

De Goorse architect en zijn vriendin waren door de verzekeringsman aangesteld voor de contacten en de bouwaanvragen richting gemeente.

Het bestemmingsplan “Sportveldencomplex Heeckeren” werd speciaal voor de realisatie van de nieuwbouw bij de Havezate door de gemeente gewijzigd. Na een paar overnames en diverse BV’s verder en de nodige hoor- en rechtszittingen wees de nieuwe Stichting “Behoud Havezathe Heeckeren” de gemeente op ernstige afwijkingen van de bouwtekening tijdens de bouw. Zo klopte de nokhoogte niet, was het nieuwe gebouw te breed, klopten de voegen en de stenen niet en ontsierden een paar afschuwelijke zwarte schoorsteenpijpen, die bij een crematorium niet zouden misstaan, het totaal aanzicht van het gebouw.

Ernstige afwijkingen dus van de bouwtekening. Slecht werk van de architect, maar ook slecht werk van de handhavers van de gemeente. Er werd door de gemeente en de architect een procedure overeengekomen om de fouten te legaliseren! En, aldus geschiedde. Blijkbaar waren de wederzijdse belangen (fouten) zo groot dat dit de enige weg was om er zonder stevige claims van af te komen. Het belang van ongeruste burgers samengebracht in een Stichting doet er dan even niet toe.

Ondanks de listige trucs van de architect namens zijn opdrachtgever (een brij van BV’s en instanties) kan de Stichting nog steeds het hoofd boven water houden door de gulle giften van vele verontruste inwoners van Goor.

In de aanloop naar het tweede zorg appartementencomplex in de archeologische tuin van de Havezate is de architect zijn ergernis tegen de in zijn ogen lastige Stichting wel heel persoonlijk gaan invullen. De architect die jarenlang van de gemeente in de oude kleuterschool bij de nieuwe retentievijver aan de Kloosterlaan/ Van Hoevellstraat mocht wonen en zijn post op een ander adres in Goor liet bezorgen, maakte bezwaar tegen de aanwezigheid van een tuinhuisje aan de overkant van de vijver. Het zou zogenaamd zijn beleving van de vijver aantasten. En, ja hoor, dat was het tuinhuisje van de voorzitter van de Stichting “Behoud Havezathe Heeckeren”. Het getreiter van de architect, steunfractielid van het CDA, was begonnen. Hij kreeg het, via de rechtbank, voor elkaar dat de gemeente handhavend ging optreden. Na 12 jaar moest het tuinhuisje worden verplaatst. Aldus geschiedde. Het tuinhuisje werd geheel op kosten van de gemeenschap (uw belastinggeld) 2 meter verplaatst. De voorzitter van de Stichting echter heeft voor het verplicht verplaatsen van zijn houthok € 1995.- zelf bij moeten betalen!

Nu de architect een prachtige zichtlijn (?) heeft, wil de voorzitter van de Stichting, net als alle andere buurt bewoners hebben gedaan, een klein terrasje aan het water maken. Het waterschap Regge en Dinkel heeft absoluut geen bezwaar tegen het terrasje en vindt het te kinderachtig voor woorden dat de gemeente de voorzitter van de Stichting verbiedt om een terrasje aan te leggen omdat er (via architect Goorhuis) handhaving op dat stukje grond zou rusten. Onzin! Er is gehandhaafd door het tuinhuisje en het houthok te verplaatsen. Het waterschap heeft nog met de gemeente over deze oneerlijke  gang van zaken gesproken. Handhavend optreden heeft bij de andere buren geen prioriteit, aldus de gemeentelijke handhaver!

Blijkbaar is er een speciale band tussen de architect en het gemeentehuis. Dat is door de jaren heen wel duidelijk geworden uit de altijd minachtende houding van architect en bestuurders naar de Stichting toe. Historische ornamenten verdwenen als sneeuw voor de zon, illegale bouw werd gelegaliseerd en een goedwillende burger wordt tot op de dag van vandaag georganiseerd gestraft omdat hij opkomt voor het in stand houden van cultureel erfgoed. Als je je nek uitsteekt dan word je daarvoor blijkbaar, in ieder geval in de Hof van Twente, gestraft. Als je niet voor ons bent, dan ben je tegen ons! Schijndemocratie in optima forma!

Laten we toch nog één verrassing hebben voor architect en zijn gemeente: de Stichting “Behoud Havezathe Heeckeren” gaat door met z’n werk. In ieder geval tot de Gemeenteraadsverkiezingen van 2014.

Het bestuur van de Stichting “Behoud Havezathe Heeckeren”

Snaaiende leeuwen…..

welbeschouwd1

Folder in de bus van Reggefiber. De Schoolfeestweide is gevuld met KPN. Cogas meldt zich via de mail. Allemaal willen ze hetzelfde: mien stoep d’r uut en glasvezel d’r in.

Onlangs heb ik mijn internetabonnement teruggeschroefd. Ik had supersnel internet, nu snel. Merk ik er iets van? Ja, met betalen. Maar het surfen over het wereldwijde web gaat voor mijn gevoel in precies hetzelfde tempo. En da’s rap zat. Het schijnt dus nog vele malen sneller te kunnen. Zeker als je grote bestanden binnen wilt loodsen. Zes triljoen gigabyte in 3 nanoseconden: het ultieme syndroom van downloaden. Of zoiets. Moet daarvoor de hele voortuin en oprit op de kop? Nu download ik ook wel eens filmpje, (niet doorvertellen hé) en dat gaat mij eigenlijk snel genoeg.
Ook TV kijken via de glasvezel wordt mij voorgespiegeld als het nieuwe walhalla. Ik heb al een grote TV met scherp beeld. Als Planet Earth erop is, heb ik soms het gevoel dat de leeuwen mij de karbonades van het bord af vreten. Het zal ongetwijfeld nog scherper kunnen. Bijten de ijsberen me dan in de hand?
De een doet het gratis, bij de ander moet je een abonnement afsluiten. Wat goed, fout of slecht is; ik ben er nog niet achter. De een vertelt het zo, de ander zo. Alledrie met forse reclamecampagnes en prachtige aanbiedingen. Wat ook duidelijk wordt: als je niet meedoet, dan rest een terugkeer naar de krochten van de middeleeuwen.
Dertig procent van de huishoudens moet zich inschrijven. Zoniet? Ja, wat dan eigenlijk? Komt de hemel naar beneden als het langer duurt dan begin maart?
Wat me wel duidelijk is: dat er veel geld valt te verdienen voor de aanbieders. Laat ik nou het donkerbruine gevoel hebben dat het uit uw en mijn zak moet komen.

Bert Schabbink 

Skaats’n

welbeschouwd1

Ik ben er niet voor in de wieg gelegd. Kan het niet. Heb er niets mee en vind het alleen leuk op TV. Skaats’n. Ik ben van een ander soort: als het koud wordt, moet je dichtbij een kachel zijn. Of het nu gladde ijzers zijn of lange latten, mij krijg je er niet op. Winter is prima: aan de muur op een schilderij van Anton Pieck.

Als het begint te vriezen, schiet Nederland in de vlekken. Ik ook: vanwege de dreigende rampspoed. Files, problemen met de auto, treinen die niet rijden. Het geeft alleen maar ellende. Nee, schaatsen op natuurijs! Geweldig. Weer files, nu van ambulances.
Maar ik ben een roepende in de woestijn. Als het kwik onder nul is, ontdooit Nederland. Ik maak het van dichtbij mee. De retentievijver bij ons in de buurt is omgetoverd tot een ijsbaantje. Prima. Heel jong en heel oud, en alles daar tussenin, vermaakt zich op de bevroren plas. Van ’s morgens tot ’s avonds. Er klinkt gezellige muziek, er is schnapss en zelfs verlichting. Maar wat mij het meest verbaast: niemand die klaagt. In de zomer hoeft er maar iemand een blikje te laten slingeren of hup: klagen. Een duik in het water bij 30 graden: ho, ho het is geen recreatievijver hé! Nu vermaken zich al dagenlang honderden mensen en blijft het muisstil. IJs heeft schijnbaar dezelfde uitwerking als Schoolfeest, da’s dan wel weer mooi om te constateren.
Terug naar het skaats’n. Een koorts die neigt naar geestelijke waanzin: die van de Elfsteden. Prachtig evenement, daar hoor je mij niet over. Maar ik wil de toerrijders toch even met beide benen op de grond zetten. Aan de start verschijnen is ingewikkelder dan ‘m schaatsen. Het is geen topsport, geen geweldige prestatie. Je mag het leuk noemen, gezellig, een feest. Dat is het ook. Maar uitrijden stelt tegenwoordig geen zak voor! Je hebt zo’n 16 uur de tijd voor 200 kilometer. Dat is 12,5 kilometer per uur. Dat lukt ook als je achteruit wilt schaatsen. Dus geen stoere verhalen meer, bitte. Op tijd eten en drinken, niet vallen en fluitend haal je Leeuwarden.

Schreef de man die op de ijsbaan nooit verder kwam dan de sneeuwrand. Om in elk geval overeind te blijven.

 Bert Schabbink

2011, het jaar van de wissel….

welbeschouwd1

Wat heeft 2011 Goor gebracht? In ieder geval een frisse wind in het gemeentehuis. Aangewakkerd door een nieuwe burgemeester. Kok ging, Goudt kwam. Voor het jaarboek dat Goorsnieuws binnenkort gaat uitbrengen interviewde ik zowel Kok als Goudt over het turbulente jaar op de gemeenteburelen. 15 kilometer was de werkelijke afstand tussen beide ontmoetingen, maar geen vliegtuig kan de verschillen in karakter tussen beide burgemeesters overbruggen.

“Met wie zou je eerder een biertje gaan drinken?”, vroeg iemand mij na de ontmoetingen. Daar hoefde ik niet lang over na te denken. “Kok”. Ik was lichtelijk verrast dat ik onze vorige burgemeester een paar maanden geleden trof bij een concert van Steve Earle. Knetterlinkse countryzanger, activist. We schudden elkaar na afloop van het schitterende optreden kort de hand. Na het interview met Goudt vroeg ik me af of hij ook dergelijke concerten zou bezoeken. Het antwoord wist ik meteen: er worden eerder pinguïns op de Noordpool ontdekt.

Maakt dat Goudt een saaie Piet? Integendeel. De man heeft hobby’s en bezigheden die niet de mijne zijn. Dammen en de kerk. Ik ben meer van biljarten en de kroeg. En inderdaad, Goudt wil nogal eens uitwaaien in ambtelijke termen. Maar hij zet wel de puntjes op de i. Hij ‘wieberde’ direct de gemeentesecretaris en de directeur, die openlijk ruzie met elkaar maakten. Tsjak, weg ambtelijke top. Ook in het interview kraakt Goudt enkele harde noten. Zo zet hij openlijk vraagtekens bij het niveau van de raadsleden.

Waar Goudt brandt van de ambitie, is de fut er bij Kok uit. Maar ook zijn relaas is het aanhoren/lezen waard. Wie geeft er als 60’er nog wel gas na twee hartaanvallen? Kok is eerlijk, hij had na zijn 1ste hartaanval in 2008 meteen moeten stoppen. Maar wie doet dat als je net aan een nieuwe baan bent begonnen? Kok kon naar eigen zeggen niet ingrijpen bij de rollebollende ambtenaren omdat het vorige college hem daarin niet zou steunen. Kok zat muurvast en was ook nog eens geestelijk en fysiek op. Iets wat Goudt beaamt. De beslissing in februari van dit jaar om er een punt achter te zetten was voor Kok dan ook een bevrijding.

Een week later was er op televisie een prachtige documentaire over de geniale gek Bobby Fischer. Rode draad in dat verhaal: de legendarische WK-schaakmatch in 1972 tegen Boris Spasski. Amerika tegen Rusland op het hoogtepunt van de Koude Oorlog. Ik weet nu nog niet naar wie mijn voorkeur uitgaat. Naar de schitterende sportman Fischer, die als mens een gedrocht bleek. Of Spasski? De onverstoorbare, maar zeer sportieve verliezer. Ongewild moest ik tijdens die uitzending vaak terugdenken aan de ontmoetingen met Kok en Goudt. Mijn voorkeur? Welbeschouwd ga ik daar in 2012 eens fijn over nadenken. Ik wens U voor het nieuwe jaar het allerbeste.

Bert Schabbink