Alaaf!

welbeschouwd1

Kom ik zondagmorgen nietsvermoedend op het voetbalveld, barst er ineens een oorverdovend gejuich los. Wat blijkt: ik ben ineens van koninklijke bloede! Zonder dat ik zelf van iets wist, is broerlief de avond ervoor verkozen tot niemand minder dan Prins Carnaval. Prins Paul de, ja de hoeveelste eigenlijk?

Ineens schiet me te binnen dat ik een paar dagen eerder de rekening voor hem heb betaald in een plaatselijke lokaliteit. Daar heb ik ‘m meteen maar even fijntjes aan herinnerd. Of Zijne Koninklijke Hoogheid de openstaande schuld graag even voor de start van het carnavalsseizoen wil inlossen. Schijnt nogal een dure hobby te zijn, dat gedoe met die steek op je hoofd. Aan de andere kant, een blik op één van zijn adjudanten stemt me direct alweer gerust.

Prins Paul. Kan er ook nog wel bij in zijn agenda. Hij zal toch niet denken dat een week acht dagen heeft? Nu wil ik ‘m trouwens ook in vol ornaat op de perstribune commentaar zien geven bij een duel van FC Twente. Met z’n pak, blauwe cape en veer op z’n kop. Gebeurt er eindelijk iets leuks in de Grolsch Veste. “Tadic!! Tadic!! Goede bal op Chadli. Schitterend doelpunt! Alaaf, Alaaf Alaaf”.

Of tijdens een show van Helligen Hendrik ineens ‘Er staat een paard in gang” door de zaal laten galmen. Eens zien of de alias van Bert Eeftink nog zo gecharmeerd is van Skoffelgetje. “’Ik wil op m’n kop een kamerbreed tapijt”, is ook goed.

Hij weet hoe ik erover denk. Ik vind broer(tje) op z’n best als muzikant. Zonder potsierlijke uitdossingen als het even kan. Ooit kreeg hij voor improvisatie een 10 op het conservatorium. U hoort ‘m er niet vaak op, maar hij heeft er echt ééntje in z’n hobbyruimte staan: een klassiek Hammond-orgel met Leslie-box. Daarop spelen kan-ie echt beter dan het uitdelen van onderscheidingen. Vind ik. Het liefst blues. Maar nee, hoor, hij kiest weer voor bruiloftsmeuk. Dat is dan ook wel weer mooi. Gewoon doen waar je zin in hebt en tegen het heil in het nog leuk vinden ook. Zo word je dus de eerste officiële Hofprins.

Prins Paul. We gaan ‘m nog vaak tegenkomen. Met die twee gekke adjudanten van ‘m. Het zal nog wel even duren voordat ik eraan gewend ben.

Bert Schabbink

Ingezonden brief Carel Groothengel…

Glanzend teer en gesloten theater en bibliotheken

Ik ervaar Ben Eshuis (foto) als de beste bestuurder in de Hof van Twente en de plannen waarmee hij komt zijn ambitieus en doortastend te noemen. Welke gemeente besteedt namelijk in tijden van bezuinigingen zoveel geld aan nieuw asfalt en stedelijke ontsluitingsplannen zoals kortgeleden gepresenteerd voor Goor. Nog nooit in de historie van de nieuwe gemeente is er zoveel geïnvesteerd in steen en asfalt en dat is onmiskenbaar de verdienste van Ben Eshuis. Naar ik gehoord heb combineerde hij ook in zijn vorige wethouderperiode de portefeuille Financiën met een inhoudelijke portefeuille en ook toen gingen de meeste gemeentelijke centen vooral naar zijn portefeuille.

BenEshuis

 

Het moet gezegd Eshuis heeft veruit de grootste dadendrang in het College en er gebeurd tenminste wat. Want hoe je ook tegen de verkeersmaatregelen in Goor aankijkt na vele decennia ligt er eindelijk eens een echt doordacht plan in plaats van wat deelplannetjes die niet echt iets oplossen.

Het is ook de verdienste van Eshuis dat hij meer dan anderen in bijvoorbeeld de gemeenteraad ziet dat het echte verkeersprobleem in de Hof van Twente zich in Goor voordoet. Waar in andere plaatsen in de gemeente sprake is van deelproblemen kampt Goor met een alomvattende problematiek als het om de ontsluiting gaat. Ook op dat punt steekt deze wethouder andere bestuurders in deze gemeente naar de kroon.

Toch heeft deze bestuurskracht ook een schaduwzijde. Met verbazing zie je dat nog redelijke wegen fors worden aangepakt op zeer veel plaatsen in de Hof. Nog nooit zijn er zoveel miljoenen in het zwarte glanzende teer gestoken in deze gemeente maar we zien ook dat de bibliotheken sluiten, de theaterfunctie uit Goor verdwijnt en dat ouderenvoorzieningen het loodje leggen. Uit korte vakanties in het buitenland maar ook in Nederland zie ik dat deze gemeenten bij een slechte weg een bord plaatsen dat het wegdek slecht is en men zelf moet opletten. Uiteraard moet het niet zo ver gaan dat het werkelijk gevaarlijk wordt of is. Daarvoor biedt de begroting voldoende ruimte om normaal onderhoud te plegen.

In die zin slaat de dadendrang van Eshuis wat door en lijkt hij niet te beseffen dat in tijden van crisis ook op steen en asfalt enige terughoudendheid mag worden betracht. Goede plannen betekenen niet dat je ze ten koste van veel andere waardevolle zaken in onze gemeenschap moet laten plaatsvinden. In die zin is het maar de vraag of deze daadkrachtige wethouder voldoende tegenwicht krijgt en of deze wethouder wel voldoende afweegt of zijn inzet voor de eigen portefeuille niet te veel ten koste gaat van voorzieningen die in een krimpende gemeente van veel groter belang zijn om blijvend mensen te interesseren om zich in deze gemeente te vestigen.

Als er straks sprake is van minder inwoners en te veel woningen zullen het vooral de voorzieningen zijn die mensen latenbesluiten of ze hier of in een andere gemeente gaan wonen. In de raad wordt bij een discussie over dit punt steevast gemeld dat bij een verder uitstel van “groot onderhoud” het op een later tijdstip nog veel meer kost om de wegen weer op orde te krijgen. Ditzelfde geldt echter ook voor de voorzieningen die misschien gesloten gaan worden zoals de bibliotheken en de Reggehof. Als deze voorzieningen gaan verdwijnen, komen ze of nooit meer terug of kost het onevenredig veel gemeenschapsgeld om het weer op te bouwen.

Het is te hopen dat de raad straks bij de begrotingsbehandeling niet alleen in teer en steen denkt maar dat ze zich ook realiseren dat bewoners hier graag willen wonen omdat er goede voorzieningen zijn. Kortom, dat men werkelijk tot een integrale afweging komt waar men graag over spreekt. Straks hebben we hier schitterende wegen die van de ene naar de andere gesloten voorziening leiden. Een theaterfunctie behouden in de Hof en de Bibliotheek openhouden met ook goede voorzieningen in Diepenheim en Markelo kost maar een schijntje van wat we jaarlijks in wegen stoppen.

Ook als je beziet dat er per jaar ruim € 30.000 extra in de begroting wordt opgevoerd voor aanpassing binnenklimaat van het gemeentehuis. Niet dat ik dit de ambtenaren en bestuurders misgun maar integraal afwegen is integraal afwegen. Gezien de macht van het getal in de raad, de dadendrang van Eshuis en zijn grip op de CDA-fractie vrees ik het ergste.

Carel Groothengel

(Bezoeker raadsvergaderingen en schaduwfractielid Pvda)

Verdrietig Einde Cultuurhuis

Wat moeten we met de Reggehof? Een vraag die de gemoederen al sinds de opening in 1994 bezig houdt. Door de overheidsbezuinigingen wordt de bijl aan de wortels van de schouwburg annex cultureel centrum annex verenigingsgebouw gezet.  En die voorgaande zin optikkend, dringt meteen het besef door waar het fout gaat. De circusact met de bordjes op de pinnen. Teveel bordjes, dus scherven.

De beschuldigende vinger naar iemand wijzen heeft geen zin. Wij hebben met z’n allen democratisch beslist dat het gebouw er moest komen en dat de gemeenschap mee wilde betalen. Een meerderheid van de burgers  wilde een onderkomen voor diverse verenigingen en een mooie theaterzaal waar we goede voorstellingen konden zien en horen. Achttien jaar later moeten we concluderen dat het een mooi streven is, maar onhaal- en vooral onbetaalbaar.

Ik geloof echt dat de directie en (vrijwillige) medewerkers er in de loop van de jaren alles aan gedaan hebben om de boel draaiende te houden. Maar het draagvlak was in 1994 al wankel en dat fundament is eigenlijk nooit stabieler geworden. De oorspronkelijke doelstelling is steeds verder uit het zicht geraakt.  Je kunt niet met droge ogen van een verenigingscentrum spreken als de huur voor een simpel lokaal inmiddels bijna 100 euro bedraagt. Per avond welteverstaan. Om nog maar te zwijgen over de prijs voor een dagje grote zaal (668 euro incl. BTW).  Ik ga de hoogte van die prijzen niet betwisten. Zal ongetwijfeld goed zijn doorberekend en in verhouding liggen. Maar penningmeesters van instellingen en clubs kunnen dan toch maar één conclusie trekken: wegwezen hier!

Ik ken heel weinig ‘gezellige’ theaters. Zo zag ik afgelopen vrijdag twee keer dezelfde band: 1x in het Hengelose Rabotheater en later iets verderop in een kroeg. In het Rabotheater vroeg ik me af wanneer het condoleren zou beginnen. Dat lag echt niet aan de muzikanten, zo bleek in de kroeg. De Reggehof is daarop geen uitzondering. Smaken verschillen, maar na een voorstelling is elke minuut in de foyer er wat mij betreft één teveel. Ik voel me ongemakkelijk in die glazen ‘would-be architectuur’. Mooi om rozen in te kweken, niet om gezellig na te hangen.

Met de nieuwe bezuinigingen op komst, verdwijnt ook een groot aantal voorstellingen. Dan is de maatschappelijke functie van het gebouw helemaal nul.  Geen verenigingen, geen voorstellingen en geen gezelligheid (in Goor ook niet onbelangrijk). Ik zeg: verlies nemen en voortaan naar Hengelo of Enschede voor zang en dans. Terug naar zoals het voor 1994 was: repeteren en vergaderen in de achterzaaltjes van de kroegen. Misschien dat het ‘VEC’ toekomst heeft als clubhuis van Apollo en onderkomen voor de muziekschool. Dat is nog altijd beter dan ‘de shovel ervoor’ .

Bert Schabbink

Over de kool en de geit…..

Van ‘Jonge Leu en Oale Grond’ is niet meer. Maar op het Zeldam speelt zich een kwestie af die in de plattelandssoap niet zou misstaan. Of nog beter, je zou er een nieuwe serie van kunnen maken. Werktitel: ‘Over de kool en de geit’.  Met in de hoofdrol 1000 geitjes, verdeelde noabers en een konkelende burgemeester.

 

Ik zie het verbaasde gezicht van de gemeenteambtenaar al voor me. Trekt-ie de staldeur open, kijkt-ie ineens 1000 mekkerende geiten in het gezicht.  Wat wil het verhaal. Geitenboer start stal, krijgt na veel soebatten vergunning en begint met de aankoop van geiten. Geiten staan keurig elders op stal, maar dan moeten de geiten ineens eerder verhuizen. Wegens ruimtegebrek bij de verkopende partij. Laat de vergunning van de kopende partij nou nog niet zijn ingegaan…. Probleempje dus. Wat moet er gebeuren met de geiten? Ik ben leek, zal er wel niets van snappen. Maar als ik de beginnende geitenboer was, zou ik zeggen: “dat ruimtegebrek is jouw probleem. Het gaat al niet zo lekker met die buurt hier. Dan-en-dan zijn de geiten bij mij welkom, eerder niet”. Het liep anders. Geiten worden toch verplaatst en zo is het Zeldam ineens 1000 geitjes rijker. Logisch vervolg: een paar omwonenden ruiken bloed en trekken bij de gemeente aan de bel.

En hier komen onze burgemeester en de overheid in het spel. Rij een paar kilometer te hard, een schutting die een paar centimeter afwijkt: ze staan klaar om te straffen. Ergens terecht want regels zijn regels. Dan zou je toch ook verwachten dat er maatregelen worden genomen als je illegaal 1000 geiten in de achtertuin hebt. Maar daar komt-ie: de burgemeester vindt ‘handhaving disproportioneel’. Nou mijnheer Goudt: ik vind een bekeuring voor 35 km per uur op de Diepenheimseweg ook buiten proporties. Typisch voorbeeld dus van meten met twee maten.

Ik heb trouwens niets tegen de geitenboer, wens hem alle succes. Heeft-ie wel nodig na grote investeringen en jarenlang gesoebat. Hoop dat-ie alsnog vriendjes wordt met de buren. Fijne ‘noabers’ trouwens. De aanjagers van de protesten wonen toch een behoorlijk eind verderop. Q-koorts is hun belangrijkste argument. Had volgens mij ook opwarming van de aarde, een zeldzame kever of een uitstervende boomsoort kunnen zijn. Ik krijg sterk het gevoel dat alles wordt aangegrepen om de geitenboer dwars te zitten. Het moddergooien over en weer zal voorlopig nog wel even doorgaan. En dat is dan wel weer goed voor de soap. En anders zal de Rijdende Rechter vandaag of morgen wel een bezoekje brengen aan het Zeldam.

 Bert Schabbink

Pretpakket

welbeschouwd1

Het was een vast ritueel. Na afloop van een avondje stappen bij De Zon even langs bij Henkie. Henkie was Henk Dollekamp en hij runde samen met zijn vrouw een soort van cafetaria bijna recht tegenover de ingang van de discotheek. De bestelling, zo rond twee uur ’s nachts, was steevast hetzelfde. “Smiet er maar wat in veur vief guld’n’. En zo schommelde ik wekelijks met mijn pretpakketje huiswaarts.

Niet alleen in zijn houten patatpaleis had ik te maken met Henk. Ook op school kwam ik hem vaak tegen. Eigenlijk vaker dan het Henk en mij lief was. Henk was namelijk conciërge op de ‘oude’ MAVO in de Rozenstraat. Nu was mijn manier van studeren niet bepaald de manier waarop ik het mijn kinderen zou aanraden. Hoe ik in acht jaar tijd, zonder te blijven zitten, met een diploma van de MAVO, de HAVO en het VWO ben gekomen… Het is voor iedereen, mijzelf incluis, nog steeds een enorm raadsel. Het ging nogal ongestructureerd, om het maar eens netjes (en zacht) uit te drukken. Zo kwam het dat ik meer te maken had met conciërges dan met leraren. Dus ook met Henk. Met Henk kon ik het altijd goed vinden. Zat mij tenminste niet zo op de ‘tabbert’. Niet dat ik mij veel aantrok van mensen die ik tegenkwam op mijn ‘tabbert’. Henk schatte dat wel aardig in en bleef dus uit de buurt van mijn ‘tabbert’.
Nadat Henk stopte met de frituurhandel bleven we elkaar in het voorbijgaan groeten. De jaren gingen voorbij. En toen werd bij mijn moeder kanker geconstateerd. Wie zat er naast haar bij de zware behandelingen? Juist, Henk. Ook bij hem had het gif zich in het lichaam genesteld. Als lotgenoten praatten ze veel met elkaar. Mijn moeder is er vooralsnog goed afgekomen, bij Henk sloegen de behandelingen steeds minder aan. Maar hij bleef altijd de opgewekte goeierd met een flinke dosis humor. Als toneelliefhebber wilde hij zijn afscheid zelf regisseren. Dat afscheid kwam er vorige week. Ik wil U de volgende anekdote daarbij niet onthouden. Henk was een enorme wielerfanaat, verzamelde alles wat los en vast zat. Er ging hem op TV bijna geen koers mis. De dokter meldde zich in huize Dollekamp voor de euthanasie. Tussen het verdriet door, behield Henk tot het allerlaatste moment zijn humor. “Doot mer heenig an. Kan’k de finish nog zéén in de Ronde van Spanje”.

Bert Schabbink

Berig

welbeschouwd1

Even snel naar Hengelo. Want Nintendo van de kinderen geeft strijd op. Zo kom ik oog-in-oog te staan met enkele enorme bronzen beren. Inderdaad, het kunstwerk waar Hengelo nu al maandenlang van in de war is. Het zonnetje schijnt en ik neem plaats op een bankje tussen de vijf beren.

Hoe langer ik de beren bekijk, hoe mooier ik ze ga vinden. Blauwe koepeltjes op de grond symboliseren water. Eén beer klemt achter zijn rug een vis in z’n poten. Een ander heeft een mooie hangbuik. Het lijken me goeie lobbessen. In de tien minuten dat ik tussen de beren vertoef, wordt er volop gefotografeerd door voorbijgangers. Kinderen sluiten vriendschap met de beren. Het brons wordt geaaid en gestreeld. Er is verwondering over de afmeting van de  dieren. Ze zijn inderdaad aan de maat, om het voorzichtig uit te drukken.

Kosten van dit tafereel: 450.000 euro. Ook aan de maat. Bijna een ton per beer. Hoe zou een dergelijk plan in Goor vallen? De vraag stellen is ’m beantwoorden. Gelukkig is de brandweer niet verhuisd naar de Zenkeldamshoek.  Zijn ze op tijd bij het gemeentehuis, mocht een dergelijk plan ter sprake komen. Ik denk eerlijk gezegd dat de felste tegenstanders in Hengelo nu op een camping met een rol wc-papier onder de arm op weg zijn naar het toilet. En die mogen van mij heel veel, maar zeker geen mening hebben over wat wel of geen kunst is en hoeveel het mag kosten. Gewoon vanavond weer gezellig bingo spelen en morgenvroeg gezellig heel hard rennen om een strandstoel bij het zwembad te hebben.

Ik vind de beren een aanwinst voor Hengelo. Een voorheen kaal plein is tot leven gekomen. Velen beleven er zichtbaar plezier van. Dus geld goed besteed.

Welk dier zou trouwens op het Sterplein thuishoren? Als symboliek voor Goor. Struisvogels?  Zou kunnen, maar dan ook tot aan het puntje van de staart in de grond. Of aasgieren? Ook niet gek, een stuk of twintig rond de shoarmastick. Maar het dichtst bij Goor staat voor mij het wilde zwijn. Denk aan Schoolfeest. Denk aan ‘Vrettegoor’. Denk aan het uitverkoopkraampje bij de ingang van de Jumbo. Afijn, zo kan ik nog wel even doorgaan. Lijkt me een mooi plan: voor een half miljoen aan wilde zwijnen in het centrum. Is de discussie over autovrij of niet ook meteen gesloten. Oh, ja, met knorgeluiden als het kan. Oink, oink….

Kopland…

welbeschouwd1
 
Even een oude discussie opstoken. Vorige week is dichter Rutger Kopland overleden. Hij won nagenoeg alle prijzen die er op literair gebied te winnen zijn. Kreeg eredoctoraten. En weigerde een koninklijke onderscheiding, net als de titel ‘Dichter des Vaderlands’ trouwens. Een grootheid dus. Geboren in Goor. Al jarenlang circuleren er plannen om hem in zijn geboorteplaats te eren. Al is het inmiddels ook herdenken geworden.
Het blijft iets onwerkelijks: één van de belangrijkste iconen uit de literaire wereld die ter wereld is gekomen in Goor. Eerst maar eens de feiten op een rij. Rutger Kopland werd in 1934 geboren als Rudi van den Hoofdakker. Deskundige Theo Hakkert weet met stelligheid te melden dat het gezin Van den Hoofdakker eerst aan de Deldensestraat heeft gewoond en later is verhuisd naar de Wheeme. Bij de gemeente is alleen bekend dat de familie Van den Hoofdakker heeft gewoond aan de Wheeme 4a. Later is dat omgenummerd tot Wheeme 8. Pa had een baan als gasfitter. In de gemeentelijke archieven staat daar zelfs nog bijgeschreven: ‘als ondergeschikte’. Het was een streng christelijk gezin. Later werd de woning aan de Wheeme bewoond door een dominee. In 1942 verhuisde het gezin naar Bussum. De reden is mij nog onduidelijk. Had Pa een andere baan gekregen? Speelde de oorlog een rol? Want vader Van den Hoofdakker was actief in het verzet. Rudi liet Goor dus achter als een jongetje van 6 of 7 jaar.
kopland1
Rudi van den Hoofdakker met zijn vader op de fiets

Het is dus logisch dat Kopland later niet, of amper, sprak over zijn jaren in Goor. De herinneringen waren er niet. Of te vaag. Als Kopland sprak over de oorlog en zijn kinderjaren, is niet te herleiden of het over Goor gaat of over zijn volgende woonplaats.
Het was dus een toevallige speling van het lot dat een kindeke met buitengewone gaven werd geboren in Goor. Kopland zelf werd er niet warm of koud van. Ook in Goor is er altijd met een soort vreemde apathie tegenaan gekeken. Kopland, geboren in Goor. Leuk. Punt. Totdat kunstenaar Sepp Bader enkele jaren geleden opperde om de dichter in zijn geboorteplaats terug te laten keren middels een kunstwerk. Hij wilde een gedicht van Kopland verwerken in het Schoolfeestplein. Het plan zorgde voor beroering, althans de kosten: enkele tienduizenden euro’s. Bader motiveerde zijn project met de volgende woorden: “We zien een parkeerplaats, geen plein, we zien alleen maar steen en blik. Waar is het groen, waar een schaduwrijke plek, waar een plek ter verpozing en reflectie?”
Tsja. Geef Bader eens ongelijk. Elke artiest, klein of groot, die de Reggehof aandoet, verbaast zich over zoveel leegheid in een stadscentrum. De grap over de viskar van Verdriet is inmiddels belegen. Terug naar het onderwerp van deze column. Verdient Kopland een aandenken in Goor? Wis en waarachtig. Maar een kunstwerk van 10-duizenden euro’s gaat ook mij te ver. Daarvoor was er te weinig band tussen Goor en Kopland. Het is Goor en Kopland overkomen. En ja, U mag mij een kruidenier noemen.
Ik wil U trouwens het gedicht niet onthouden dat Bader in het kunstwerk wilde verwerken:
 
Een lege plek om te blijven

Ga nu maar liggen liefste in de tuin,
de lege plekken in het hoge gras, ik heb
altijd gewild dat ik dat was, een lege
plek voor iemand, om te blijven.

Zou toch niet misstaan op een mooie plaquette in de buurt van zijn geboortehuis?
Bert Schabbink

Kukidentgebit en gepolijste nageltjes

Bieb wegbezuinigd. Muziekschool uitgekleed. Zwembad sluit. Het wordt tijd voor maatregelen in het Goorse. En die komen er. Te beginnen met een stadsraad. Om de invloed bij het Hofbestuur te vergroten. Maar als we het initiatief bij mijnheer Jochems en mijnheer Rikkert laten, dan voorspel ik een tijger met kukidentgebit. Een goed gekapte leeuw met gepolijste nageltjes. Daarom wat hulp van mijn kant bij de profielschets voor de toekomstige leden van die raad. Want als de Markeloërs zich al met nepbommen bij het gemeentehuis melden, dan moeten wij ook passende maatregelen nemen.

Hoe willen we onze invloed uitbreiden? Of beter geschreven: wie is onze tegenstander? Dat zijn vooral boeren. En die hebben een lastige eigenschap: ze zijn doortrapt. Nietsontziend ook. Kunnen mijnheer Jochems en mijnheer Rikkert daar tegenop? Ik vrees het ergste. Goor Collectief-voorman Roel Jochems is een heel vriendelijke man, prima uithangbord voor de Goorse ondernemers. Maar als mevrouw Jochems zegt dat Roeltje om zes uur moet eten, dan zit Roeltje om kwart voor zes klaar met een servet op schoot en bestek in de knuistjes. En CDA-politicus Eric Rikkert is ook voorzitter van de tennisclub. U weet wel, de sport die meteen wordt stilgelegd bij een paar drupjes regen. Een tintverschuiving op de buienradar is al voldoende om de kornuiten van Rikkert naar binnen te jagen. Kijk, dan komt Bentelo met deugdelijker materiaal: een knecht die met blote handen giertanks leeg schraapt en maisvelden weghakt. Of de struise meid uit Stokkum die geblinddoekt een koe kalvert en tegelijkertijd een tweeling aan de borsten legt. Ik zeg: game, set en match voor de boeren.
Aan welke criteria moeten onze guerillastrijders dan voldoen? Laten we eens beginnen met een strafblad. Ik snap ook wel dat we geen moordenaars of serieverkrachters in de strijd kunnen gooien. Alhoewel? Dan zouden die keuterboertjes aan de andere kant van de tafel wel anders piepen. Maar goed, we doen het voor lichte vergrijpen. Belastingontduiking. Een ongewenst intimiteitje, dat werk. Er moeten streken inzitten. 2e criteria: minimaal twee keer gescheiden. Want: op de bodem hebben gelegen en weer omhoog zijn geklauterd. 3e criteria: een zogeheten vrij beroep. Het liefst marktkoopman. Of oud ijzer handelaar. Want hun stelregel is: elk dubbeltje is er één en dat verdwijnt in mijn zak. Ook vrouwen met een decolleté als een oneindig ravijn zijn van harte welkom.

Mijn punt zal duidelijk zijn. Doortrapte boeren moeten we bestrijden met slinks- en sluwheid. De spelregels zijn niet heilig. Onze toekomst wel. Ik hoop dat mijnheer Jochems en mijnheer Rikkert dat ook beseffen.

Bert Schabbink

Pokke, pokke, pokke, daar komt The Swing Mill aan….

welbeschouwd1

Een topgitarist die met de dood in de ogen de Tent inrijdt. Een zanger die zijn stem langzaam ziet verdwijnen. Een hevig zoemend aggregaat als stemvork, ritmisch ondersteund door een langzaam puffende ‘Zamboni’. Een internationaal befaamde pianist uit het westen des lands die heel lang niet verder kwam dan “Ik ga het meemaake. Ik ga het meemaake”. Dit is het bizarre verhaal achter ‘The Swing Mill’.

Natuurlijk ontstond het idee aan het schap in het café. Jilling Zorge, vooraanstaand Rellie-techneut, spuwde zijn gal over dweilorkesten in de Tent. “Knettergek wo’k van dat getoeter”. Wij knikten instemmend. Dat moest anders kunnen. En toen viel uit het niets het woord Zamboni. U kent ze wel, de vierkante machines die met schaatsen altijd de baan dweilen. “Dat heb ik”, sprak Jilling. “Ik heb een Zamboni”. De bek viel ons open. Wat moet iemand nou met een Zamboni? Afijn, de glazen werden steeds sneller gevuld (en geleegd). Conclusie: Jilling zou zorgdragen voor een werkende Zamboni en ondergetekende voor een band die daar bovenop zou gaan zitten. En rijdend een zogeheten ‘dweilconcert’ te gaan verzorgen in de Schoolfeesttent. U begrijpt, het was geen 2 uur in de middag  toen we uit elkaar gingen. Met het wegtrekken van de alcoholdampen leek ook het idee in het niets te verdwijnen. Totdat Jilling enkele weken later droog  opmerkte. “Ik heb de Zamboni kloar. Hoe is’t met de band?”. Wist ik veel dat het om een Rellie-zamboni ging…..

Daar zat ik. Enkele maanden voor het Schoolfeest. Hoe kreeg ik in godsnaam een band bij elkaar die op een Zamboni wilde kruipen? Ik besloot direct maar hoog in te zetten. Op mijn 40e verjaardag verzorgde gitarist Raymond Nijenhuis uit Hengelo  een geweldig optreden met aan zijn zijde de pianist Eric-Jan Overbeek, alias mr Boogie Woogie. Het werd een heuglijk feestje dat eindigde met verbrande fietsen, dit terzijde. Ik ken Raymond al een jaar of twintig, hij was ooit geluidstechnicus bij, toen nog, Radio Oost. Toen al een meer dan begenadigd gitarist en dat werd ook zijn leven. Met succes, dit jaar werd hij zelfs als ‘Guitar Ray’ genomineerd voor beste bluesgitarist van Nederland. Met Mr Boogie Woogie toerde hij door heel Europa. Eerst Raymond maar eens gebeld. De ‘Schoolfeest-zaterdag’ was nog vrij in zijn agenda. “Ik hou die dag wel open, we hebben het er nog wel over”. En de pianist reageerde in dezelfde trant. “Ik snap er niet veel van, maar 23 juni hou ik vrij”.  Met mijn broer als zanger annex mondharpspeler en Pascal Haverkate op bas, ging het ineens de goede kant op. Ik had de band rond. Dacht ik. En belde in mijn enthousiasme meteen ook maar de voorzitter van het Schoolfeest. Die sprak de legendarische woorden: “Als jij zegt dat het goed is, dan regel ik geen dweilorkest”. Ik had niet alleen een band, maar ook een optreden met Schoolfeest.
En zo zaten we een paar weken voor het feest der feesten bij elkaar voor een snuffelrepetitie. Akoustisch gitaartje. Beetje prutsen. Gitarist Raymond merkte terloops op: “wie drumt er eigenlijk?”. Toen bleef het stil. Was ook wel handig, een drummer. Nieuwe zoektocht. Die kon niet, die had al een optreden. En zo belandden we bij Mike Jaarsbergen. Inderdaad de zoon van Jan. Jan was ooit drummer in het legendarische Twente Combo, bij Allog en de Toon’n en bij de Big Band van Apollo. Zoon Mike heeft zijn sporen verdiend in het commerciële circuit en toonde zich direct enthousiast.
Het was inmiddels al woensdag 20 juni. Nog drie dagen. Eerste repetitie met drummer. Schoolfeestnummers doorgenomen. Nog altijd zonder pianist, die was alleen geboekt voor de zaterdag. Weer was het Raymond die opmerkte: “heb jij alles wel goed doorgenomen met Eric-Jan? Ik heb zo’n idee dat hij niet weet waar hij in belandt”. Raymond heeft jarenlang samengespeeld met mr Boogie Woogie en kent zijn pappenheimers. En hij raakte een kern van waarheid. Ik had wel gerept over twee optredens op een mobiel podium, maar niet over een aanhanger die voortgetrokken zou worden door een als Zamboni verklede tractor. En zeker niet over een rijdend optreden in een volle feesttent. Voor uw besef: de beste man speelt vooral in theaters en tourt enkele maanden per jaar door de Verenigde Staten. Ik besloot er maar eens een poeslief mailtje aan te wagen. Schreef daarin dat ons podium op de aanhanger mooi was aangekleed. En dat we overwogen om mobiel te spelen. En dat hij zelf mocht beslissen of hij dat ook wilde.  Donderdagochtend: 2 oproepen gemist: van Eric-Jan. De angst sloeg toe bij mij. “Dit gaat helemaal fout. Hij begint er niet aan”, dacht ik. Met lood in de schoenen teruggebeld. “Ja, met Eric-Jan. Heb je mailtje gezien. Ziet er goed uit. Ik heb er zin aan”. Ik wist niet hoe gauw ik op moest hangen.
Zo werd het zaterdag. Met het geluid metershoog vastgesjord op de aanhanger werd de reis ingezet richting het tunneltje dat de Waterstraat verbindt met het Jannink. Pokke, pokke, pokke. Het trillende geluid van Jilling en zijn Zamboni naderde. Het aggregaat werd aangeslingerd. Raymond trok bleekjes weg. “Blijft dat ding aan?” Hij stond met zijn gitaar pal voor het aggregaat, dat nogal luidruchtig was. En van opzij drongen de dampen van de Zamboni-uitlaat ons mobiele podium binnen. Ook bassist Pascal en drummer Mike snoven minder vrolijk de dieseldampen op. De pianist keek het allemaal meewarig aan. “Ik ga het meemaake. Ik ga het meemaake”, klonk het met Nieuw-Vennepse tongval. Van mijn broer nog geen spoor. Die moest eerst nog even wat zingende Albatrosjes de weg ophelpen. Geluidsman Peter Vos had de knopjes in orde. Soundcheck. Onder het tunneltje. De eerste klanken van The Swing Mill. Jilling en ik keken elkaar aan. Dit zou wel eens goed kunnen komen.
En zo speelden we na de kinderoptocht voor het eerst met elkaar voor De Tapperij. Om vervolgens koers te zetten richting Tent. De stem van mijn broer was inmiddels totaal aan gort. Het doodsbange gezicht van Raymond bij het binnenrijden vergeet ik nooit meer. Drempeltje. Ingeklemd tussen een grommend aggregaat en een vervaarlijk wiebelende stapel boxen probeerde hij zich met zijn peperdure gitaar staande te houden. De dampende Zamboni en het dampende aggregaat werden al snel een dampende Tent. Alles kwam goed.

 

Bert Schabbink

Als er ooit nog een deel II komt dan leg ik U uit waarom de complete band een auto moest drukken, waarom mr Boogie Woogie op zondagmorgen werd achtervolgd door de hoteleigenaar van De Herikerberg, waarom de band wel The Swing Mill heet en geen Putlucht, waarom de repetitie werd verstoord door broodjessmerende dames en hoe er opeens een wildvreemde achter de piano opdook tijdens het optreden in de Tent.

Feesboek…

Soms floepen dingen er zomaar uit. Het gebeurde mij tijdens de presentatie van het jaarboek. We zaten bij elkaar in de kantine van de, zoals ik het nog steeds noem, Oudheidkamer. Meteen een tik over de vingers van de heren historici want het is tegenwoordig Goors Historisch Museum. Afijn, we zaten dus bij elkaar.

Nu zijn dat niet mijn favoriete bezigheden: netjes opzitten en pootjes geven. Maar het jaarboek verdient een nette presentatie en dus moest ik er ook aan geloven als scribent van het naslagwerk. De hoofdredacteur van Goorsnieuws (ja, hij bestaat echt) sprak mooi, de voorzitter van het museum sprak mooi en toen was het mijn beurt. De vingers gleden door de bladzijden en toen viel het mij uit de bek als een koe uit het gat. “T’is wel een mooi Keesboek geworden”. De fantasie sloeg meteen op hol bij de aanwezigen. Vooral de delegatie van Maarkelsnieuws was er als de kippen bij na mijn vorige column. Terwijl ik met Keesboek niets anders bedoelde dan een fusie tussen een kijk- en leesboek.
De hoofdpersoon ontbrak in het museum: Wolter Wiegerinck. Met kennisgeving en goede reden. Wolter’s vrouw Gerrie heeft onlangs een zware heupoperatie ondergaan en revalideert thuis. Dus op de fiets naar Wolter om daar het 1ste exemplaar te overhandigen. “Ik bun niet zo’n internetman”, vertelde Wolter toen hij voor de plichtpleging werd benaderd. Dat was ook niet de reden waarom hij werd uitgekozen. Wolter en zijn werk zijn overal in de Goorse samenleving terug te vinden. Zicht- en onzichtbaar. Wolter kleurt Goor: als kunstenaar, maar bovenal als mens. Zichtbaar geëmotioneerd nam hij het jaarboek in ontvangst. Meteen kwam de artistiek vormgever in ‘m boven. “Mooie kaft. Origineel met die letters over elkaar. Zie je niet vaak”.
Gerrie keek toe achter het raam, vanaf het ziekbed. Ik vond het mooi geweest. Tijd voor bier. Naar ’t café. Ik vertelde aan de toog. De kastelein was, zoals altijd, alert. “Keesboek is mooier dan Facebook”.

Bert Schabbink