Gaat ‘De Ster’ weer stralen?

welbeschouwd1

Het was de warmste (na)zomer sinds mensenheugenis. Op en top terrasweer. Maar in Goor zit het belangrijkste terras potdicht. ‘Wegens omstandigheden gesloten’ prijkt er op een briefje. Deze week worden de deuren heropend. Nieuwe ronde, nieuwe kansen. Natuurlijk gunt iedereen de familie Weerkamp het allerbeste, maar er wordt afgetrapt met een vervelende achterstand.

Misschien was het vlaag van helderziendheid? Zelf denk ik eerder aan een mengeling van koppigheid en alcoholische beneveling. We schrijven donderdagavond 27 juni. Vrijdagmorgen 28 juni mag ook. Inderdaad, Schoolfeest. Ik wil een paar biertjes bestellen aan het schap bij De Ster. U raadt het al: geen blauwe muntjes. Of ik even naar buiten wilde gaan om mijn geld via een automaat om te wisselen in muntjes. Maar dat muntje viel net even verkeerd. Achter het schap stond gewoon een kassa. Met gewoon personeel. En ik had gewoon geld. Dus vond ik dat ik gewoon met ‘normaal geld’ moest kunnen betalen.

Na wat gesoebat kwam het goed. Er zijn nogal wat bezoekers die dat weekeinde blauwe muntjes hebben gekocht. In een enkel geval zelfs behoorlijke aantallen. Die kunnen nu dus fluiten naar hun consumpties en, belangrijker, geld. Iedereen begrijpt wel dat een startende ondernemer niet met een dergelijk lijk in de kast wil beginnen, maar echt lekker is de situatie natuurlijk niet. Het is geen fijn gezicht als je het nachtkastlaatje opentrekt en maandenlang tegen blauwe munten aankijkt die van de ene op de andere dag waardeloos zijn.

De Schoolfeestvierder zal zich volgend jaar wel twee keer bedenken als het op muntjes kopen aankomt bij de Ster. De nieuwe uitbaters doen er verstandig aan om dat (klein)leed op wat voor manier dan ook iets te verzachten. Al was het alleen maar om een goede binnenkomer te hebben. Want de Ster staat er door de gebeurtenissen van de laatste weken ‘niet goed op’. En da’s niet alleen door de muntjeskwestie. De turbulente wisseling van de wacht, het sluiten van de deuren: het heeft niemand goed gedaan. Met de beschuldigende vinger wijzen is niet relevant, wel mogen alle betrokkenen zich die lege plek middenin Goor aanrekenen. De zon had daar moeten schijnen, niet een kale ster.

Bert Schabbink

Uit het leven van een stoeptegel…

welbeschouwd1

Het leven van ons hoort eentonig te zijn. Gewoon liggen om er te liggen. We bieden bescherming aan voetgangers tegen het gemotoriseerde verkeer. Soms zijn we speelterrein voor kinderen, worden we geschminkt met krijt. Soms poept er een hond op ons hoofd. Veel meer afwisseling hebben we niet.  Ik heb de pech dat ik aan, of in, een Goorse straat lig.

Ik word vaker uit m’n zandbed gelicht dan me lief is. Veel vaker. ‘Never a dull moment’ in het leven van een Goorse stoeptegel. Je ligt er net in, of je wordt er alweer uit getakeld. Ik heb leren leven met bilspleten van stratemakers als uitzicht. Ik wil geen afgezakte broeken meer. En fluoriserende hesjes. Waar zijn de korte rokjes? 

Als er een busje uit Westerhaar of Vroomshoop bovenop me parkeert, weet ik voldoende. Lig ik weer op m’n buurman in plaats van ernaast. Soms wekenlang.  Dan hoor ik de baas van de stratemakers praten. “Nee, ik weet ook niet wat hier de bedoeling van is. Gewoon die keien erin rammen. Volgens het plaatje. Niet bij nadenken, het moet er over een half jaar toch weer uit”.  

Verkeerscirculatieplan. Alleen Goorse stoeptegels kennen dat woord. Omdat we het al heel vaak en heel lang gehoord hebben. Dan zien we auto’s weer van links komen, dan van rechts en dan van beide kanten. Zo hebben we een klinkerwijkje naast ons en dan een asfaltbuurtje. Om over vrachtwagens nog maar te zwijgen. Verbazing is ons vreemd geworden.

Lag ik maar in Amsterdam. Dan had ik nog een sociale functie: dames van lichte zeden scheiden in prostituees en hoeren.

Maar ik lig in Goor. Alweer op een stapel. Er worden draden onder me door getrokken. Glasvezel.  Voor supersnel internet en spiegelheldere TV.  Morgen mag ik naar m’n plaats. Na een paar klappen met een rubberen hamer op m’n kop. Het wachten is dan op mannen in nette pakken, die praten over verkeersstructuren. Of kabels die nog meer bits en bytes aankunnen. Daarna kijk ik weken schichtig om me heen tot het midden op de dag donker wordt. Het busje uit Vroomshoop of Westerhaar is er weer…..

Bert Schabbink

Pasfotopolitie

welbeschouwd1

Ik heb op deze plek al een keer eerder gefulmineerd over de pasfotopolitie op het gemeentehuis. Destijds moest ik drie keer de straat over voordat de mevrouw achter de balie akkoord ging. Het kan nog gekker, zo ondervond ik dit voorjaar.

Samen met mijn zoon naar Barcelona. Hij wilde Lionel Messi een keer in levende lijve zien. Zelf heb ik niets met dat eeuwigdurende tikkie-takka spelletje. Ben meer van de vliegende pollen in de Engelse lagere divisies. Maar goed, soms moet je jezelf opofferen. Dus samen op stap naar Barcelona voor een weekeindje. De avond voor vertrek blijkt mijn paspoort onvindbaar. Ik besluit, met m’n rijbewijs, op de bonnefooi af te reizen naar Schiphol. Waar het verhaal eindigt, dat zien we dan wel weer. Ik beland bij de marechaussee en mag reizen met een zogeheten ‘noodpaspoort’. Voor dat paspoort laat ik pasfoto’s maken in een automaat op het kantoor van de marechaussee. Er rolt een velletje met zes foto’s uit, met daarop een stempel dat ze geschikt zijn voor paspoorten. Alles in orde, afreizen naar Barcelona, prima.
Het noodpaspoort is maar kort geldig, dus naar het gemeentehuis om een nieuw reisdocument aan te vragen. Ik heb nog 4 pasfoto’s over op het velletje van Schiphol. Het keurmerk ‘geschikt voor paspoorten’ staat er nog keurig op. Ik meld me aan de balie en de formaliteiten worden afgewikkeld. Dan de pasfoto’s. De pasfotopolitie kijkt bedenkelijk. ‘Dat zou wel eens een probleem kunnen worden, die foto’s”. Ik probeer nog tegen te sputteren dat ze gemaakt zijn onder toezicht van de marechaussee en dat er een mooi stempeltje op staat. Maar ze is onverbiddelijk. ‘Uw oren zijn niet zichtbaar’. Over uitgeluld gesproken. Typisch gevalletje van: ‘computer says no’.  De straat maar weer over. Probeer maar eens uit te leggen dat je de oren ‘te plat aan de kop hebt liggen’.
Hoe het was in Barcelona? De aanvankelijk goedkope tickets werden dubbel zo duur omdat de wedstrijd ineens een dag werd verplaatst, Messi deed niet mee, hij was het voor het eerst in zes-en-een-half jaar geblesseerd. En tijdens de wedstrijd zijn we na een uur verkleumd het stadion uitgeregend. Onvergetelijk was het wel.

Unmeunig…

welbeschouwd1

En weer staat Goor op de kop. Nu eens niet vanwege een feestje. Er wordt gewerkt aan de weg. En hoe!! Alle kleuren van de regenboog sieren de Goorse straten. Een leger aan oranje hesjes heeft Goor geannexeerd. De rood-witte hekken schieten als paddestoelen overal uit de grond. Omgeven door een ongekend aantal gele omleidingsbordjes: ‘Het geet er unmeunig van’.

Ik moet er ook nog wel om lachen. Overal zie je auto’s wanhopig keren en draaien met vertwijfelde en vooral boze gezichten achter het stuur. Ook ik moest al een paar keer in de achteruit. Als je niet bekend bent in Goor, ben je beter af in de binnenstad van Amsterdam. Nog een geluk dat de Rellie niet in Diepenheim is uitgekomen. Alhoewel: dan hadden ze daar ook kunnen zien dat er kunst kan worden gemaakt zonder miljoenensubsidie. En hou er maar rekening mee: we zijn er nog lang niet.

Er gaat nog heel wat beton d’r in en d’r uit de komende tijd. Een nieuw verkeerscirculatieplan doet z’n intrede. De eerste gevolgen zijn al merkbaar. Op de Molenstraat bijvoorbeeld. Verkeer van rechts heeft nu voorrang. Het remt inderdaad de snelheid, maar om nu af en toe in een kleine file stil te staan is het andere uiterste. Er wordt gemopperd over te kleine parkeerhavens. Of het beter of slechter wordt, dat weten we gauw genoeg. Het gebeurt alleen wel op heel veel plekken tegelijk. Kortom, na het Schoolfeest is Goor weer terug op aarde. Of beter gezegd: in de aarde.

Was me het feestje trouwens wel, dat Schoolfeest 2013. Het blijft toch een soort godswonder dat er nauwelijks incidenten zijn. Er wordt flink gedronken, het kan niet gek genoeg gaan. Duizenden bezoekers. Maar een soort ‘flower-power’-gevoel is de baas. Alles mag. Feestvieren staat voorop. Dramm’n dooj ma een andere keer. Zoiets. Ik had het genoegen om op te trekken met twee topmuzikanten die toch behoorlijk wat gezien en beleefd hebben. Zij keken hun ogen uit. Waar elders in het land dergelijke festijnen regelmatig uitlopen op vechtpartijen en wanstaltigheden, blijft het ‘bij ons’ relatief vriendelijk. Een plasser in de bosjes, iemand die lallend naar huis zwalkt: veel meer is er niet van. En als er al iets van een opstootje dreigt, dan wordt het snel in de kiem gesmoord. De conclusie is elk jaar hetzelfde: ‘Wat ging ’t er weer van’. Dit jaar kunnen we in de overtreffende trap: ‘Het ging d’r unmeunig van’.

Bert Schabbink

Ingezonden brief Jos Duurland

Hieronder een ingezonden brief van Jos Duurland, schaduwfractielid van de PvdA en al jaren fanatiek actievoerder tegen goederentreinen door Goor:

TREINRAMP BELGIË:

Op 4 mei ’s morgens hoorde ik van de ontplofte goederentrein in België. Gelukkig geen doden en gewonden, alles onder controle. De volgende ochtend een update van het nieuws: 1 dode en 33 gewonden door giftige dampen die via het riool huizen waren binnengedrongen, terwijl de bewoners ramen en deuren gesloten hielden, op last van de autoriteiten.

Mijn hart huilt om de dode en voor elke gewonde en ik schaam me een beetje. Mijn eerste gedachte was: gelukkig niet hier. Alsof een ramp in België minder erg is, doden en gewonden daar minder tellen dan hier. Mijn angsten waren een voor een uitgekomen, van argwaan tov de autoriteiten, ongeloof in de sussende geluiden van de netbeheerder en vervoerders, en een misplaats gevoel van veiligheid door de brandweer en politie.

Het is nu 2 dagen later en ik heb tijd gehad voor enige zelfreflectie. Maar boos en verdrietig ben ik nog altijd. Verdrietig om de slachtoffers en boos op de autoriteiten die al weer bezig zijn om dit recht te praten en het hebben over acceptabele risico’s.

Wie wel eens seconds before desaster heeft gezien, weet dat rampen altijd voortkomen uit een reeks van kleine fouten, vaak menselijk. Ik leg die maat op het spoortje die onze gemeente doorkruist, vlak langs Stokkum en dwars door Goor en Delden.

Het is een verouderd spoor, niet geëlektrificeerd en slechts een spoor, zodat tegemoet komend verkeer op dezelfde rails rijdt, en daarnaast slecht onderhouden. Hiervoor zoekt Pro-Rail de goedkoopste aannemers, zonder eisen aan kwaliteit te stellen. Het spoor is voorzien van verouderde beveiligingsapparatuur. Op dat zelfde spoor wordt een drukke personendienst uitgevoerd door een andere maatschappij als degene die het goederenvervoer regelt.

Het goederenvervoer wordt uitgevoerd door en Duits bedrijf, met Nederlandse machinisten die in algemeenheid een bedenkelijke staat van dienst hebben (lees: In 2012 weer meer machinisten door rood gereden), En ook in België reed de machinist waarschijnlijk te hard over een kapotte wissel. Eventuele noodzakelijke communicatie tussen goederentreinen en personentreinen in geval van nood loopt via de wederzijdse maatschappijen, dus niet rechtstreeks

Het materieel is verouderd (gemiddelde wagon is 30 jaar oud) en slecht onderhouden. Voor spoormaterieel geldt geen APK zoals voor uw auto, en er worden geen onafhankelijke technische controles uitgevoerd. Dat is de verantwoording van de vervoerder die zelf commerciële belangen afweegt tegen veiligheid. Overigens zijn er ook geen snelheidscontroles op het spoor.

In de wagons zit een giftige, brandbare stof, Caprolactam, die bij verbranding grote hoeveelheden ammoniakgas afgeeft. Deze stof is rechtstreeks dodelijk voor mensen, in de richting van de rookpluim tot enkele kilometers afstand, rondom enkele honderden meters.

Ik heb geen vertrouwen in de plaatselijke autoriteiten, die als een soort Pavlov reactie bij elk ongeluk melden dat er geen gevaar is voor de volksgezondheid. Niks gebeurd mensen, doorlopen…

Ik heb ook geen vertrouwen in de Brandweer op het gebied van chemische branden. Op vragen gaven zij aan niet op de hoogte te zijn van de stoffen die vervoert werden, en alleen het gebrek aan water in het buitengebied werd als probleem gezien. In de kernen was er gelukkig genoeg water. Genoeg om de riolen te vullen met weglopende giftige stoffen…. Overleg over brandbestrijding met de fabrikant van de stof (de expert bij uitstek) wordt niet genoemd.

Ik denk aan de explosies van benzoëzuur bij DSM, de explosies bij Cindu Chemicals in Uithoorn, Treinramp bij Hoofddorp, legionella in de Westfriese fora, de vuurwerkramp in Enschede, de Café brand Volendam, De instortende steiger in de Amercentrale, de Brand Chemiepack, treinongeval bij Amsterdam Westerpark enzovoort. Voor wie het zich kan herinneren: de lijst is onmetelijk lang. Honderden mensenlevens onnodig verloren. Ik denk aan de gezinnen waar het leed niet te dragen is. Blijkbaar willen wij niet leren van eerdere rampen. De centen gaat voor. En ik denk aan Murphy: Als een ongeluk kan gebeuren, zal het gebeuren…….Volgens Murphy gaat het dus ook hier gebeuren, vroeg of laat……..

Het meest boos ben ik omdat voor de hoge heren een mensenleven blijkbaar onderdeel is geworden van een kansberekening in het plaatje van de economische groei. Acceptabele risico’s Bah. Die heren moeten zich schamen.

Jos Duurland.

 

Huubje…

welbeschouwd1

We hebben wat afgevoetbald op het pleintje in de Putterstraat. Het pleintje is er niet meer. Het aanpalende houten schoolgebouwtje is ook weg. In mijn herinnering waren we met een stuk of tien. Een bont gezelschap. Ook nu nog. Dat geldt zeker voor diegene wiens achternaam tegenwoordig is afgekort tot één letter.  Een teken dat er iets niet goed is gegaan. Huub F. Voor ons was het altijd ‘Huubje’.

Na de lagere school waaierde ons voetbalgroepje alle kanten op. Sommigen heb ik echt nooit meer gezien. Huubje kwam ik af en toe tegen. En ik moet zeggen: ik lag wel eens dubbel van het lachen. Zo bestelde hij ooit eens een mixje. Kosten 13 euro. De kastelein rekende hem voor hoe de prijs was opgebouwd. Zijn repliek: “Als ik een glas bier bestel, hoef ik het schuim toch ook niet apart te betalen?”.

De laatste keer dat ik hem sprak was op een zaterdagochtend op het voetbalveld. Hij ging vaak kijken bij zijn neefje. Hij klaagde vooral over geldgebrek.

Ondertussen hoorde je de verhalen hoe hij beetje-bij-beetje afgleed. Gekke dingen werden steeds gekker. Verhalen over drank in combinatie met verdovende middelen. Uit de band springen werd steeds vaker ontsporen.

En nu zit ‘Huubje’‘ vast. Op verdenking van meerdere overvallen. Ook gewapend. Ik kan er niets aan doen, maar dan moet ik toch altijd denken aan de tijd van het pleintje. Veel voetballen, af en toe ‘blikspuit’. Huubje was er altijd bij: plezierig, druk. Niets wees erop dat hij de weg kwijt zou raken.

Medelijden met hem heb ik niet. Wel met zijn naaste omgeving. Ik ken Huub’s ouders niet anders dan eerlijke hardwerkende mensen. Zij zullen zich altijd afvragen wat ze verkeerd hebben gedaan. Hadden ze bepaalde situaties anders aan moeten pakken? Want wat er ook is gebeurd, het blijft wel hun oudste kind. Een onbeantwoord schuldgevoel als eeuwig litteken.

De gebeurtenissen rond ‘Huubje’ hebben ook bij mij de ogen geopend. Ik heb ook twee zoons. Zouden zij ooit in de gevangenis terecht kunnen komen? Nu zijn ze plezierig, speels en af en toe ondeugend. Net als hij toen was. En ik ook. Door ‘Huubje’ zeg ik nooit nooit. Dat is mijn les van 2012.

Bert Schabbink

Smeerwief…

Sinds kort loop ik op zaterdagmorgen ook met een vlag op het voetbalveld te paraderen. Het ‘beroep’ van grensrechter is niet bepaald iets wat ik ambieer, maar je moet toch wat als de jongens de wei in willen. Ik kan er dus over meepraten hoe er gereageerd wordt als ik de vlag in de lucht steek. Of juist niet. Het blijft verbazingwekkend hoe de fatsoensnormen voor sommigen de verkeerde kant opschuiven als ze de poort van het voetbalveld door zijn.

Eén van mijn eerste optredens als vlaggeneur: Uit bij Holten. Stand 0-0. De bal klutst raar ter hoogte van de middenlijn en ik geef aan dat Hector mag inwerpen. Plots klinkt het achter mij. `Hé viezerik’. Pardon. Viezerik? Ik draai me om en zie dat het één van de leiders van Holten is. Ik wacht nergens op en de vlag gaat de lucht in. Gelukkig heeft de scheids het ook gehoord. Hij geeft de leider een reprimande waaruit blijkt dat de desbetreffende coach wel vaker iets roept.

Eerlijk is eerlijk. De beste man kwam na afloop wel bij me om zijn excuses aan te bieden. Ik heb hem nog wel gevraagd of hij zijn vrouw ook voor ‘smeerwief’ uitmaakt als ze met de koffie morst. Hij kon er niet om lachen. Nu is dit een onschuldig voorval, maar het voert wel terug naar de kern waarom het deze week zo verschrikkelijk fout ging in Almere. Ga op een willekeurig veld staan en let op wat er allemaal geroepen wordt. Scheidsrechters worden ‘klootzakken’, grensrechters ‘Jan Lullen’ en tegenstanders ‘Jankers’. En dan hou ik het nog mild. Dat gebeurt bij mijn club, bij GFC, bij Twenthe. Eigenlijk op elk veld. Spreek je zo de bakker ook toe als er een fout wordt gemaakt? “Hé achterlijke klaploper, ik had wit besteld, geen bruin”. Of de tandartsassistente als ze een afspraak niet goed in de agenda zet. ‘Godverdomme dom kutwijf. Ik had gezegd donderdag over twee weken, niet volgende week donderdag”.  Waarom mag dat op een voetbalveld dan wel?

Ingegrepen wordt er niet of nauwelijks. Op elk veld, van jong tot oud zijn ze herkenbaar en vooral hoorbaar. Bestuurders, medespelers, leiders, andere toeschouwers, goedwillenden: Ze horen het, maar laten het gaan. Eén parallel is er wel te trekken. De grootste schreeuwers hebben heel vaak zelf geen bal geraakt. Ja, in een ver verleden om tien uur ’s ochtends op veld 8b. Of helemaal niet. Ook niets mis mee trouwens. Maar om dan onfatsoenlijk te gaan ‘roeptoeteren’ als er bij de wedstrijd van je zoon of dochter iets gebeurt; ik kan er niet bij. En het is een begin dat kan leiden naar erger. Daar weten we nu alles van. Wat is er mis mee om zo’n lawaaipapegaai van het veld te verwijderen? Maar ja, dan de volgende vraag. Wie moet dat doen? Want we staan erbij en kijken ernaar. Dan zeggen we thuis bij de koffie: ‘Die en die ging ook weer flink tekeer. Waar moet onze jongen volgende week trouwens tegen´.
Bert Schabbink

 

Alaaf!

welbeschouwd1

Kom ik zondagmorgen nietsvermoedend op het voetbalveld, barst er ineens een oorverdovend gejuich los. Wat blijkt: ik ben ineens van koninklijke bloede! Zonder dat ik zelf van iets wist, is broerlief de avond ervoor verkozen tot niemand minder dan Prins Carnaval. Prins Paul de, ja de hoeveelste eigenlijk?

Ineens schiet me te binnen dat ik een paar dagen eerder de rekening voor hem heb betaald in een plaatselijke lokaliteit. Daar heb ik ‘m meteen maar even fijntjes aan herinnerd. Of Zijne Koninklijke Hoogheid de openstaande schuld graag even voor de start van het carnavalsseizoen wil inlossen. Schijnt nogal een dure hobby te zijn, dat gedoe met die steek op je hoofd. Aan de andere kant, een blik op één van zijn adjudanten stemt me direct alweer gerust.

Prins Paul. Kan er ook nog wel bij in zijn agenda. Hij zal toch niet denken dat een week acht dagen heeft? Nu wil ik ‘m trouwens ook in vol ornaat op de perstribune commentaar zien geven bij een duel van FC Twente. Met z’n pak, blauwe cape en veer op z’n kop. Gebeurt er eindelijk iets leuks in de Grolsch Veste. “Tadic!! Tadic!! Goede bal op Chadli. Schitterend doelpunt! Alaaf, Alaaf Alaaf”.

Of tijdens een show van Helligen Hendrik ineens ‘Er staat een paard in gang” door de zaal laten galmen. Eens zien of de alias van Bert Eeftink nog zo gecharmeerd is van Skoffelgetje. “’Ik wil op m’n kop een kamerbreed tapijt”, is ook goed.

Hij weet hoe ik erover denk. Ik vind broer(tje) op z’n best als muzikant. Zonder potsierlijke uitdossingen als het even kan. Ooit kreeg hij voor improvisatie een 10 op het conservatorium. U hoort ‘m er niet vaak op, maar hij heeft er echt ééntje in z’n hobbyruimte staan: een klassiek Hammond-orgel met Leslie-box. Daarop spelen kan-ie echt beter dan het uitdelen van onderscheidingen. Vind ik. Het liefst blues. Maar nee, hoor, hij kiest weer voor bruiloftsmeuk. Dat is dan ook wel weer mooi. Gewoon doen waar je zin in hebt en tegen het heil in het nog leuk vinden ook. Zo word je dus de eerste officiële Hofprins.

Prins Paul. We gaan ‘m nog vaak tegenkomen. Met die twee gekke adjudanten van ‘m. Het zal nog wel even duren voordat ik eraan gewend ben.

Bert Schabbink

Ingezonden brief Carel Groothengel…

Glanzend teer en gesloten theater en bibliotheken

Ik ervaar Ben Eshuis (foto) als de beste bestuurder in de Hof van Twente en de plannen waarmee hij komt zijn ambitieus en doortastend te noemen. Welke gemeente besteedt namelijk in tijden van bezuinigingen zoveel geld aan nieuw asfalt en stedelijke ontsluitingsplannen zoals kortgeleden gepresenteerd voor Goor. Nog nooit in de historie van de nieuwe gemeente is er zoveel geïnvesteerd in steen en asfalt en dat is onmiskenbaar de verdienste van Ben Eshuis. Naar ik gehoord heb combineerde hij ook in zijn vorige wethouderperiode de portefeuille Financiën met een inhoudelijke portefeuille en ook toen gingen de meeste gemeentelijke centen vooral naar zijn portefeuille.

BenEshuis

 

Het moet gezegd Eshuis heeft veruit de grootste dadendrang in het College en er gebeurd tenminste wat. Want hoe je ook tegen de verkeersmaatregelen in Goor aankijkt na vele decennia ligt er eindelijk eens een echt doordacht plan in plaats van wat deelplannetjes die niet echt iets oplossen.

Het is ook de verdienste van Eshuis dat hij meer dan anderen in bijvoorbeeld de gemeenteraad ziet dat het echte verkeersprobleem in de Hof van Twente zich in Goor voordoet. Waar in andere plaatsen in de gemeente sprake is van deelproblemen kampt Goor met een alomvattende problematiek als het om de ontsluiting gaat. Ook op dat punt steekt deze wethouder andere bestuurders in deze gemeente naar de kroon.

Toch heeft deze bestuurskracht ook een schaduwzijde. Met verbazing zie je dat nog redelijke wegen fors worden aangepakt op zeer veel plaatsen in de Hof. Nog nooit zijn er zoveel miljoenen in het zwarte glanzende teer gestoken in deze gemeente maar we zien ook dat de bibliotheken sluiten, de theaterfunctie uit Goor verdwijnt en dat ouderenvoorzieningen het loodje leggen. Uit korte vakanties in het buitenland maar ook in Nederland zie ik dat deze gemeenten bij een slechte weg een bord plaatsen dat het wegdek slecht is en men zelf moet opletten. Uiteraard moet het niet zo ver gaan dat het werkelijk gevaarlijk wordt of is. Daarvoor biedt de begroting voldoende ruimte om normaal onderhoud te plegen.

In die zin slaat de dadendrang van Eshuis wat door en lijkt hij niet te beseffen dat in tijden van crisis ook op steen en asfalt enige terughoudendheid mag worden betracht. Goede plannen betekenen niet dat je ze ten koste van veel andere waardevolle zaken in onze gemeenschap moet laten plaatsvinden. In die zin is het maar de vraag of deze daadkrachtige wethouder voldoende tegenwicht krijgt en of deze wethouder wel voldoende afweegt of zijn inzet voor de eigen portefeuille niet te veel ten koste gaat van voorzieningen die in een krimpende gemeente van veel groter belang zijn om blijvend mensen te interesseren om zich in deze gemeente te vestigen.

Als er straks sprake is van minder inwoners en te veel woningen zullen het vooral de voorzieningen zijn die mensen latenbesluiten of ze hier of in een andere gemeente gaan wonen. In de raad wordt bij een discussie over dit punt steevast gemeld dat bij een verder uitstel van “groot onderhoud” het op een later tijdstip nog veel meer kost om de wegen weer op orde te krijgen. Ditzelfde geldt echter ook voor de voorzieningen die misschien gesloten gaan worden zoals de bibliotheken en de Reggehof. Als deze voorzieningen gaan verdwijnen, komen ze of nooit meer terug of kost het onevenredig veel gemeenschapsgeld om het weer op te bouwen.

Het is te hopen dat de raad straks bij de begrotingsbehandeling niet alleen in teer en steen denkt maar dat ze zich ook realiseren dat bewoners hier graag willen wonen omdat er goede voorzieningen zijn. Kortom, dat men werkelijk tot een integrale afweging komt waar men graag over spreekt. Straks hebben we hier schitterende wegen die van de ene naar de andere gesloten voorziening leiden. Een theaterfunctie behouden in de Hof en de Bibliotheek openhouden met ook goede voorzieningen in Diepenheim en Markelo kost maar een schijntje van wat we jaarlijks in wegen stoppen.

Ook als je beziet dat er per jaar ruim € 30.000 extra in de begroting wordt opgevoerd voor aanpassing binnenklimaat van het gemeentehuis. Niet dat ik dit de ambtenaren en bestuurders misgun maar integraal afwegen is integraal afwegen. Gezien de macht van het getal in de raad, de dadendrang van Eshuis en zijn grip op de CDA-fractie vrees ik het ergste.

Carel Groothengel

(Bezoeker raadsvergaderingen en schaduwfractielid Pvda)

Verdrietig Einde Cultuurhuis

Wat moeten we met de Reggehof? Een vraag die de gemoederen al sinds de opening in 1994 bezig houdt. Door de overheidsbezuinigingen wordt de bijl aan de wortels van de schouwburg annex cultureel centrum annex verenigingsgebouw gezet.  En die voorgaande zin optikkend, dringt meteen het besef door waar het fout gaat. De circusact met de bordjes op de pinnen. Teveel bordjes, dus scherven.

De beschuldigende vinger naar iemand wijzen heeft geen zin. Wij hebben met z’n allen democratisch beslist dat het gebouw er moest komen en dat de gemeenschap mee wilde betalen. Een meerderheid van de burgers  wilde een onderkomen voor diverse verenigingen en een mooie theaterzaal waar we goede voorstellingen konden zien en horen. Achttien jaar later moeten we concluderen dat het een mooi streven is, maar onhaal- en vooral onbetaalbaar.

Ik geloof echt dat de directie en (vrijwillige) medewerkers er in de loop van de jaren alles aan gedaan hebben om de boel draaiende te houden. Maar het draagvlak was in 1994 al wankel en dat fundament is eigenlijk nooit stabieler geworden. De oorspronkelijke doelstelling is steeds verder uit het zicht geraakt.  Je kunt niet met droge ogen van een verenigingscentrum spreken als de huur voor een simpel lokaal inmiddels bijna 100 euro bedraagt. Per avond welteverstaan. Om nog maar te zwijgen over de prijs voor een dagje grote zaal (668 euro incl. BTW).  Ik ga de hoogte van die prijzen niet betwisten. Zal ongetwijfeld goed zijn doorberekend en in verhouding liggen. Maar penningmeesters van instellingen en clubs kunnen dan toch maar één conclusie trekken: wegwezen hier!

Ik ken heel weinig ‘gezellige’ theaters. Zo zag ik afgelopen vrijdag twee keer dezelfde band: 1x in het Hengelose Rabotheater en later iets verderop in een kroeg. In het Rabotheater vroeg ik me af wanneer het condoleren zou beginnen. Dat lag echt niet aan de muzikanten, zo bleek in de kroeg. De Reggehof is daarop geen uitzondering. Smaken verschillen, maar na een voorstelling is elke minuut in de foyer er wat mij betreft één teveel. Ik voel me ongemakkelijk in die glazen ‘would-be architectuur’. Mooi om rozen in te kweken, niet om gezellig na te hangen.

Met de nieuwe bezuinigingen op komst, verdwijnt ook een groot aantal voorstellingen. Dan is de maatschappelijke functie van het gebouw helemaal nul.  Geen verenigingen, geen voorstellingen en geen gezelligheid (in Goor ook niet onbelangrijk). Ik zeg: verlies nemen en voortaan naar Hengelo of Enschede voor zang en dans. Terug naar zoals het voor 1994 was: repeteren en vergaderen in de achterzaaltjes van de kroegen. Misschien dat het ‘VEC’ toekomst heeft als clubhuis van Apollo en onderkomen voor de muziekschool. Dat is nog altijd beter dan ‘de shovel ervoor’ .

Bert Schabbink